ECLI:NL:RBDHA:2021:15180

ECLI:NL:RBDHA:2021:15180, Rechtbank Den Haag, 17-09-2021, NL 21.14188

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-09-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL 21.14188
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 2 zaken
7 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0011823 BWBR0011825 BWBR0022704 CELEX:32013R0604 EU:32013R0604

Samenvatting

Bewaring / verkapt vreemdelingentoezicht / onjuiste bewaringsgrondslag / geen beëindigde tolk / beroep gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.14188

[V-Nummer]

geboren op [geboortedatum] 1983, van (gestelde) Guinese nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

( [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de

maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000

(Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden

aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 14 september 2021 op zitting behandeld. Partijen zijn

telefonisch gehoord. Zij hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser voert, kort samengevat, aan dat sprake is van een verkapt

vreemdelingrechtelijke staandehouding, nu uit het proces-verbaal van bevindingen

onvoldoende duidelijk blijkt wat de aanleiding was om eiser staande te houden. Daarnaast is eiser op de verkeerde grondslag opgehouden voorafgaand aan de bewaring, is ten onrechte

geen gebruik gemaakt van een beëdigde tolk bij het gehoor en had verweerder, gelet op

eisers verklaringen bij dit gehoor, moeten onderzoeken of eiser rechtsbijstand bij het gehoor wilde. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel opgelegd is. Tot slot handelt verweerder onvoldoende voortvarend; voor eiser is op

10 september jl. een vlucht naar Italië aangevraagd voor bijna een maand later, namelijk

4 oktober 2021. De belangenafweging valt vanwege deze opeenstapeling van gebreken uit

in het voordeel van eiser.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van

31 augustus 2021 blijkt het volgende. De verbalisanten zagen eiser met twee mannen die

hem vergezelden. “Een persoon” leek mogelijk op een persoon uit een briefing. Diegene zou betrokken zijn bij het vervoeren van xtc-pillen. De verbalisanten zagen verder een blikje op tafel zagen staan, vermoedelijk met alcohol, terwijl de mannen zich in een gebied bevonden waar een alcoholverbod geldt. De verbalisanten zijn vervolgens naar de mannen toe gefietst. Daar aangekomen, zagen zij dat het blikje geen alcohol bevatte, maar frisdrank. De verbalisanten hebben de drie mannen staande gehouden en naar hun identiteitsbewijs

gevraagd.

Vast staat dat de mannen niet in overtreding waren van het kennelijk aldaar

geldende alcoholverbod. Het blikje dat bij hen is aangetroffen, bevatte immers frisdrank.

Dat kan voor de verbalisanten dan ook geen reden zijn geweest om eiser staande te houden

en te vragen naar zijn identiteitsbewijs. Blijft over de verklaring van de verbalisanten dat zij een persoon zagen “die mogelijk leek op een persoon uit de briefing” en dat “vanuit de

briefing bleek dat die te maken had met het vervoeren van xtc pillen”. In het proces-verbaal

wordt echter niet nader gespecificeerd welke van deze drie personen mogelijk leek op de

persoon uit de briefing, wat het signalement was en op grond waarvan de betreffende

persoon voldeed aan dat signalement. Evenmin is een afzonderlijk proces-verbaal

voorhanden waarin dit wel nader is geconcretiseerd. Het is dan ook onvoldoende duidelijk

in welk kader en onder welke omstandigheden eiser is gevraagd zijn identiteitsbewijs te

tonen. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de controle op de identiteit van eiser

heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid neergelegd in

artikel 50, eerste lid, van de Vw. Aan de omstandigheid dat eiser met twee andere personen

op een bankje zat in het Westerpark in Amsterdam, kan naar het oordeel van de rechtbank

echter geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf als bedoeld in voornoemd artikel

worden ontleend. De beroepsgrond slaagt.

3. Ook eisers beroepsgrond dat hij op de verkeerde grondslag is opgehouden slaagt.

Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, maar verweerder heeft

op de zitting erkend dat hij had moeten worden opgehouden op grond van het derde lid van

dit artikel. Al tijdens dat strafrechtelijke traject voorafgaand aan de bewaring is immers

geconstateerd dat hij onder de door hem opgegeven naam [eiser] , geboren op

[geboortedatum] 1983, stond geregistreerd als ‘verwijderbaar’ in de systemen van de verweerder.

4. Eisers beroepsgrond dat ten onrechte geen gebruik is gemaakt van een beëdigde

tolk bij het gehoor voorafgaand aan de bewaring slaagt eveneens. Op grond van artikel 28,

eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: Wbtv) maakt verweerder in het

vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik van beëdigde tolken en vertalers. Op grond van het

derde lid kan daarvan kan worden afgeweken indien wegens vereiste spoed geen beëdigde

of vertaler tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of

doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat.

Anders dan door verweerder in het proces-verbaal van overname en ophouding is vermeld is

wel degelijk een beëdigde tolk Pulaar opgenomen in het register voor beëdigde tolken en

vertalers. Verweerder heeft in strijd met artikel 28, vierde lid, van de Wbtv onvoldoende

toegelicht waarom van deze tolk op dat moment geen gebruik kon worden gemaakt. Er is

daarom sprake van een motiveringsgebrek.

5. Volgens vaste rechtspraak maken de hierboven genoemde gebreken de bewaring

niet direct onrechtmatig, tenzij de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding

staan tot de ernst van het gebreken en de daardoor geschonden belangen.

6. De rechtbank is van oordeel dat die belangenafweging vanwege de opeenstapeling

van gebreken uitvalt in het voordeel van eiser nu hij, met name door de onterechte

staandehouding, daadwerkelijk in zijn belangen is geschaad. Het door verweerder gestelde

belang bij overdracht van eiser aan Italië weegt daar niet tegen op.

7. Het beroep is reeds hierom gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom

geen verdere bespreking. De maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen

daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring

met ingang van 17 september 2021.

8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van

de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat

toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen

voor 18 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 130,- (verblijf politiecel) en 17 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.830,-.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze

kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door

een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen

van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 748,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet

verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 17 september 2021;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser

tot een bedrag van € 1.830,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van

deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van

D.P. van Middelkoop, griffier.

De uitspraak is bekendgemaakt op 17 september 2021

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling

Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?