RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak
Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/1505
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 januari 2021 in de zaak tussen
[eisers sub 1] en [eisers sub 2], te [woonplaats], eisers (gemachtigde: mr. T. Pothast),
en
het college van burgermeester en wethouders van Midden-Delfland, verweerder (gemachtigde: mr. J.D. van Doorn).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [woonplaats], belanghebbende.
Procesverloop
Bij besluit van 3 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen de verbouwing van de woning aan de [adres 1] te [plaats] (het perceel) afgewezen.
Bij besluit van 30 oktober 2017 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen dat besluit beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 30 juli 2018 (zaaknr. SGR 17/8357) heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 oktober 2017 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers. •
Bij brief van 27 november 2018 hebben eisers verweerder vanwege het uitblijven van een nieuw besluit op hun bezwaarschrift in gebreke gesteld.
Op 1 maart 2019 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaarschrift.
Bij besluit van 14 november 2019 heeft verweerder aan eisers op grond van artikel 4: 17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een dwangsom toegekend van
€ 1.260,- omdat niet tijdig op het bezwaar is beslist.
Bij besluit van 4 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers andermaal ongegrond verklaard.
Met instemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar
l. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. De rechtbank stelt vast dat verweerder inmiddels een besluit op bezwaar heeft genomen en dat aan eisers bij besluit van 14 november 2019 de (destijds geldende) maximale dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit is toegekend. Dat betekent dat eisers geen belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank zal het beroep in zoverre
niet-ontvankelijk verklaren.
l. l Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb, is het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit van rechtswege mede gericht tegen het alsnog genomen besluit op bezwaar. De rechtbank zal dit besluit inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling
2. Eisers wonen op het adres [adres 2] te [plaats]. Bij besluit van
14 augustus 2012 heeft verweerder aan belanghebbende een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen/restaureren van de naastgelegen woning aan de [adres 1]. De verbouwing was ten tijde van het verlenen van de vergunning reeds uitgevoerd. Tot de vergunning behoort een rapport van ingenieursbureau [ingenieursbureau] van
9 juli 2012 waarin onder meer constructie- en draagkrachtberekeningen zijn neergelegd. De omgevingsvergunning is onherroepelijk.
Bij brief van 16 november 2016 hebben eisers verweerder verzocht om handhavend op te treden. In dit verzoek stellen eisers dat in 2011 zonder omgevingsvergunning bouwwerkzaamheden zijn verricht aan het pand van belanghebbende op de
[adres 1]. Volgens eisers zijn deze werkzaamheden weliswaar achteraf vergund met de omgevingsvergunning van 14 augustus 2012, maar volgt uit de voorschriften van die vergunning dat een aantal noodzakelijke constructiewijzigingen moest worden doorgevoerd om te voldoen aan de constructie- en draagkrachtberekeningen uit het rapport van [ingenieursbureau] van 9 juli 2012. Onder verwijzing naar een rapport van architectenbureau [architectenbureau] van 11 november 2016 hebben eisers gesteld dat deze noodzakelijke constructiewijzigingen niet zijn doorgevoerd en dat de uitgevoerde werkzaamheden zodoende niet in overeenstemming zijn gebracht met de omgevingsvergunning van 14 augustus 2012. Eisers twijfelen daarom aan de constructieve veiligheid van de woning van belanghebbende en stellen dat zij in hun huis geluid- en geurhinder vanuit het pand ondervinden.
Met het primaire besluit heeft verweerder het handhavingsverzoek afgewezen. Bij besluit van 30 oktober 2017 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen dat besluit beroep ingesteld (zaaknr. SGR 17/8357).
Bij uitspraak van 30 juli 2018 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 oktober 2017 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers, omdat dit besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft destijds overwogen - samengevat weergegeven - dat een rapport van de zijde van verweerder ontbreekt waaruit volgt dat verweerder het eindresultaat van de bouwwerkzaamheden heeft gecontroleerd en heeft vastgesteld dat de benodigde aanpassingen conform het rapport van [ingenieursbureau] daadwerkelijk zijn doorgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank kon onder deze omstandigheden niet zonder meer worden vastgesteld dat verweerder tijdens de bouwwerkzaamheden dan wel op enig moment daarna heeft beoordeeld of conform de verleende omgevingsvergunning is gebouwd. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder het handhavingsverzoek van eisers - mede in het licht van de door hen ingebrachte rapportage van architectenbureau [architectenbureau] - niet zonder nader onderzoek kon afwijzen, zodat hij niet aan zijn onderzoeksverplichting heeft voldaan. Tegen de uitspraak van 30 juli 2018 is geen hoger beroep ingesteld.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hierin het standpunt ingenomen dat uit een verklaring van de aannemer van 2 mei 2017 volgt dat de werkzaamheden conform de rapportage van [ingenieursbureau] zijn uitgevoerd. Verweerder acht het om die reden niet proportioneel om de keuken en het plafond open te laten breken om te controleren of de werkzaamheden conform de vergunning zijn uitgevoerd. Daarbij heeft verweerder de belangen van eisers afgewogen tegen de belangen van belanghebbende. Omdat de werkzaamheden conform de vergunning zijn uitgevoerd bestaat er geen aanleiding om handhavend op te treden, aldus verweerder.
4. Eisers voeren aan dat het standpunt van verweerder dat het door de rechtbank opgedragen onderzoek tot onevenredige gevolgen zou leiden, destijds door verweerder in hoger beroep aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had moeten worden voorgelegd. Thans is hiervoor in de optiek van eisers geen ruimte meer, nu de uitspraak van de rechtbank van 30 juli 2018 onherroepelijk is. Daarnaast stellen eisers dat aan de verklaring van een aannemer die verweerder thans aanhaalt geen enkele betekenis toekomt. Daargelaten de inhoud en geloofwaardigheid van de verklaring, had het volgens eisers op de weg van verweerder gelegen die verklaring destijds in procedure te brengen. Verweerder dient naar de mening van eisers dan ook alsnog onderzoek te - laten - doen opdat inzichtelijk wordt gemaakt of de verrichte werkzaamheden conform de verleende omgevingsvergunning zijn uitgevoerd. Eisers verzoeken het beroep gegrond te verklaren en verweerder op straffe van een dwangsom te gelasten alsnog op korte termijn nader onderzoek te doen.
5. De rechtbank stelt vast dat in de verklaring van aannemer [naam] van
2 mei 2017 wordt vermeld dat hij in 2011 en 2012 werkzaamheden in de woning heeft verricht. Hierbij heeft hij een gedeelte van de keuken opengebroken en een oude houten balk doorgezaagd, die zich op ongeveer 2,5 meter hoogte bevond, over de achtergevel van de keuken en die aan één kant afdroeg in de muur van [adres 2]. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij, voordat hij die balk doorzaagde, ter ondersteuning een stalen kokerprofiel onder de balk heeft geplaatst.
Naar het oordeel van de rechtbank kan aan deze verklaring van de aannemer niet het door verweerder gewenste gewicht worden toegekend. Nog daargelaten dat uit de verklaring
niet volgt of de hierin beschreven werkzaamheden zijn uitgevoerd na het rapport van [ingenieursbureau] van 9 juli 2012, kan uit de verklaring niet worden afgeleid dat wordt voldaan aan de constructie- en draagkrachtberekeningen zoals geformuleerd in dat rapport. De verklaring is hiervoor in te algemene bewoordingen opgesteld. Aan deze enkele verklaring kan dan ook niet - zoals verweerder heeft gedaan - de conclusie worden verbonden dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning. Met het enkele overleggen van deze verklaring heeft verweerder niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 30 juli 2018 om te controleren en vast te stellen of de benodigde aanpassingen daadwerkelijk zijn doorgevoerd. Het bestreden besluit is daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet draagkrachtig gemotiveerd. De rechtbank zal dit besluit vernietigen en verweerder opdragen binnen een termijn van zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers. Bij de voorbereiding van dit besluit dient verweerder, binnen de grenzen van de hem wettelijk toegekende toezichtsbevoegdheden, vast te stellen of de bouwwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de omgevingsvergunning van 14 augustus 2012.
Omdat verweerder reeds eerder de beslistermijn ruimschoots heeft overschreden, ziet de rechtbank aanleiding om - zoals eisers hebben verzocht - met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb een dwangsom te verbinden aan het schenden van de beslistermijn van zes weken. De rechtbank zal deze dwangsom vaststellen op € 200,- voor
elke dag dat verweerder de beslistermijn van zes weken overschrijdt, met een maximum van
€ 10.000,-.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van eisers niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 4 december 2019 gegrond; vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom verbeurt van € 200,- voor elke dag dat hij de beslistermijn van zes weken overschrijdt, met een maximum van
€ 10.000,-;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eisers te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 534,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2021.
De griffier is verhinderd
te ondertekenen
Griffier
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
0 3 FEB 2021
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.