RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2021 in de zaak tussen
Stichting Altvoorde, te Den Haag, eiseres
Het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/2906
(gemachtigde: B.B. Jagt),
en
(gemachtigde: mr. W. Kromhout van der Meer).
Procesverloop
Op 30 januari 2020 heeft eiseres een verzoek ingediend bij de gemeenteraad van Voorschoten (hierna: de raad) om twee namen aan te brengen op het oorlogsmonument aan de Koningin Julianalaan in Voorschoten (hierna: het monument).
Op 5 maart 2020 heeft de raad verweerder verzocht op het verzoek van eiseres te reageren.
Op 16 maart 2020 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van 30 januari 2020.
Bij besluit van 9 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, via een Skype-verbinding, plaatsgevonden op 20 januari 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiseres heeft een verzoek gedaan om twee nieuwe namen aan te brengen op het monument. Omdat eiseres nog geen reactie heeft ontvangen op dit verzoek, heeft zij bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder.
2. Verweerder heeft het bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de Commissie bezwaarschriften, niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is het verzoek dat eiseres heeft gedaan geen verzoek om een besluit te nemen, zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen het uitblijven van een reactie op het verzoek van eiseres staat daarom geen bezwaar open.
3. Eiseres is het niet eens met besluit van verweerder en voert daartoe het volgende aan. Het verzoek om twee namen toe te voegen aan het monument is wel een verzoek om een besluit te nemen in de zin van de Awb. De beslissing op het verzoek ziet op een publiekrechtelijke rechtshandeling, omdat het hier gaat om het toevoegen van namen op een gemeentelijk monument in een algemeen toegankelijke publieke ruimte. Verweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld en ten onrechte afgezien van het horen. Eiseres geeft verder in beroep een toelichting waarom de betreffende namen volgens haar op het monument geplaatst moeten worden en waarom een naam die wel op het monument staat, niet op het monument zou moeten staan. Tot slot gaat eiseres in op redenen die verweerder zou kunnen aanvoeren om het verzoek tot het toevoegen van de namen af te wijzen.
Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
Op grond van artikel 6:2, onder b, van de Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld aan een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat het in deze zaak alleen een oordeel zal geven over de vraag of verweerder het bezwaar van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank overweegt dat partijen het niet eens zijn over de vraag of eiseres een verzoek heeft gedaan bij verweerder om een besluit, zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, te nemen. Tussen partijen is namelijk in geschil of het al dan niet toevoegen van namen aan het monument een publiekrechtelijke rechtshandeling betreft.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het al dan niet toevoegen van namen aan het monument een feitelijke handeling betreft, niet gericht op rechtsgevolg. Het al dan niet plaatsen van de betreffende namen brengt namelijk geen verandering in de bestaande rechtspositie van eiseres tot stand. Dat het plaatsen van de namen geen persoonlijk of particulier belang betreft van eiseres, zoals ter zitting is toegelicht door de gemachtigde van eiseres, en het feit dat het monument zich op een algemeen toegankelijke publieke ruimte bevindt, maakt nog niet dat het een bestuursrechtelijk besluit betreft.
Nu het al dan niet toevoegen van de namen geen publiekrechtelijke rechtshandeling betreft, zal de reactie van verweerder op het verzoek van eiseres geen besluit zijn, zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat geen sprake is van een verzoek tot een besluit, zoals bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Gelet op het voorgaande is daarom geen sprake van een situatie waarin gesproken kan worden van het niet of niet tijdig nemen van een besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar van eiseres dan ook op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank overweegt tot slot dat verweerder, buiten deze beroepsprocedure, een onafhankelijke adviescommissie heeft samengesteld om te kijken naar het verzoek van eiseres om de betreffende namen bij te voegen op het monument. Inmiddels is het verzoek om de namen bij te voegen afgewezen. Zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven, is de civielrechtelijke procedure de aangewezen weg voor eiseres om hier tegenop te komen.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2021.
De rechter is verhinderd te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.