RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/376
(gemachtigde: mr. M.B. de Jong),
en
(gemachtigde: mr. R. Brouwer).
Procesverloop
In het besluit van 24 juni 2019 (primair besluit) heeft verweerder het handhavingsverzoek van eiseres afgewezen.
In het besluit van 11 december 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, via een Skype-verbinding, plaatsgevonden op 16 februari 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres woont aan de [adres] [huisnummer] te [plaats] . Zij heeft een verzoek gedaan bij verweerder om handhavend op te treden ten aanzien van de tuinderslaan. Volgens eiseres is de tuinderslaan een uitweg in de zin van artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene Plaatselijke Verordening Westland 2016 (hierna: de APV) en zijn er - in strijd met die bepaling - veranderingen aangebracht aan de uitweg zonder dat daarvoor een verkeersbesluit is genomen of een omgevingsvergunning is afgegeven.
2. Verweerder heeft het verzoek bij het primaire besluit afgewezen. In bezwaar heeft hij de afwijzing gehandhaafd. Volgens verweerder is de tuinderslaan een weg zoals bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wegenverkeerswet) en reeds om die reden geen uitweg in de zin van de APV. Verweerder heeft hiervoor verwezen naar besluitvorming uit 2016 rondom de tuinderslaan. Daarnaast blijkt uit feiten en omstandigheden dat de tuinderslaan voor het publiek toegankelijk is.
3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Zij stelt dat de tuinderslaan een uitweg is zoals bedoeld in de APV en dat verweerder daarom ten onrechte haar handhavingsverzoek heeft afgewezen. Eiseres wijst erop dat voor de definitie van ‘weg’ in de APV wordt verwezen naar de definitie die in de Wegenverkeerswet wordt gegeven. Nu ‘uitweg’ niet gedefinieerd wordt in de Wegenverkeerswet, is deze wet niet van toepassing in het geval van een uitweg. Eiseres wijst er verder op dat verweerder nog nooit een besluit heeft genomen over de formele status van de tuinderslaan en dat de verkeersveiligheid in het gedrang is.
4. Verweerder heeft gemotiveerd op de beroepsgronden gereageerd.
5. Op grond van artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder c, van de APV is het verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
Deze zaak gaat over bestuursrechtelijke handhaving. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met die handhaving, zal het bevoegde bestuursorgaan in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift in beginsel gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:49). Dit brengt in deze zaak mee dat de rechtbank moet beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder c, van de APV niet is overtreden. De kernvraag hierbij is of de tuinderslaan een uitweg is zoals bedoeld in dat artikel.
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de tuinderslaan geen uitweg is om de enkele reden dat die laan, gelet op besluitvorming uit 2016, een weg is in de zin van de Wegenverkeerswet. Het ene sluit het andere immers niet uit. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4077, waarin de Afdeling heeft beoordeeld of een uitweg ook een weg is in de zin van de Wegenverkeerswet. Bovendien gaat het in een handhavingsprocedure om de feiten en omstandigheden op het moment van het bestreden besluit (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571, r.o. 6.2.5). De rechtbank richt zich hierna dan ook op de vraag of verweerder zich om een andere reden terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een uitweg. Zij gaat hierbij niet in op wat partijen hebben aangevoerd over (het ontbreken van) eerdere besluitvorming rondom de tuinderslaan.
De rechtbank stelt vast dat ‘uitweg’ niet gedefinieerd is in de APV. Zij zoekt daarom aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1112). In die uitspraak staat dat voor het bestaan van een uitweg bepalend is dat de aanwezigheid van een dergelijke voorziening door de uiterlijke kenmerken ervan voor de overige weggebruikers duidelijk kenbaar is. Doorgaans worden ten behoeve van een uitweg fysieke voorzieningen getroffen, zoals een verlaagde trottoirband. Voorts is van belang dat het bij een uitweg in de regel om een aansluiting gaat voor rijdend wegverkeer vanaf een particulier erf op de openbare weg.
Op de zitting heeft de rechtbank, aan de hand van een plattegrond (bovenaanzicht), met partijen gekeken naar de tuinderslaan. De tuinderslaan begint bij de kruising met de [adres] in [plaats] ter hoogte van huisnummer 37. Vervolgens kruist de tuinderslaan het [hof] , loopt de laan in een bocht door, waarbij de tuinderslaan na de bocht doodloopt. In de betreffende bocht is sprake van een doorsteek naar de [weg] . Eiseres heeft betoogd dat deze doorsteek uitsluitend is aangesloten op de direct naast de tuinderslaan gelegen ‘langzaamverkeerroute’ (hierna: de route) en dat deze route door middel van een stoeprand duidelijk is gescheiden van de tuinderslaan. Volgens haar is de doorsteek dan ook niet aangesloten op de tuinderslaan.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat voetgangers en (brom)fietsers van de doorsteek naar de [weg] gebruik kunnen maken. Dit betekent dat voetgangers en (brom)fietsers de tuinderslaan gebruiken om vervolgens via de doorsteek op de [weg] te komen. De gestelde scheiding tussen de tuinderslaan en de route, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders. Verder is niet in geschil dat rijdend wegverkeer de tuinderslaan gebruikt om de aan die laan gelegen woningen te kunnen bereiken (bestemmingsverkeer). Gelet op dit alles heeft de tuinderslaan niet de uiterlijke kenmerken van een uitweg in de zin van de APV. Daarom heeft verweerder de afwijzing van het handhavingsverzoek terecht in bezwaar gehandhaafd.
De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank ziet geen aanleiding om in te gaan op de beroepsgrond van eiseres over de verkeersveiligheid. Die beroepsgrond kan in deze handhavingsprocedure immers niet aan de orde komen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2021.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.