RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
het college van Burgemeester en Wethouders van Westland, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/1509
(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en
(gemachtigde: mr. I. Simons).
Procesverloop
In het besluit van 12 februari 2019 (primair besluit) heeft verweerder besloten de aanvraag van eiseres voor uitbreiding van de hulp in de huishouding in de vorm van een Persoonsgebonden budget (Pgb) af te wijzen. Ook heeft verweerder besloten de huidige Pgb voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015(Wmo 2015) per 13 februari 2019 te beëindigen.
In het besluit van 16 januari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift met nadere stukken ingediend.
Als gevolg van de getroffen maatregelen rondom het coronavirus heeft met toestemming van partijen geen onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Sinds 7 november 2014 ontving eiseres een Pgb voor drie uur per week hulp bij het huishouden vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De zoon van eiseres voerde deze taken uit. Op 20 november 2018 heeft hij gemeld dat het Pgb niet meer toereikend is omdat hij meer taken is gaan uitvoeren die voor eiseres niet meer haalbaar zijn. Op 28 november 2011 is een consulent van de gemeente op huisbezoek geweest bij eiseres. De zoon van eiseres was hierbij aanwezig. Eiseres heeft toen aangegeven meer ondersteuning te wensen voor huishoudelijke hulp. Verweerder heeft vervolgens medisch advies gevraagd aan Breeden sociaal medisch advies. Op 11 februari 2019 is door medisch adviseur/ verzekeringsarts R.A. Breeden advies uitgebracht.
2. Verweerder heeft in het primaire besluit de afwijzing van de aanvraag en de beëindiging van de huishoudelijke ondersteuning gebaseerd op het advies van de medisch adviseur van 11 februari 2019, nu hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn om de huishoudelijke taken zelf uit te voeren. Verweerder heeft vervolgens op 16 januari 2020 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft in het bestreden besluit, onder overname van het advies van de commissie bezwaarschriften en de conclusie dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest, het primaire besluit gehandhaafd.
3. Eiseres is het hier niet mee eens en voert in beroep aan dat het medisch advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij stelt daartoe in de eerste plaats dat de medisch adviseur geen rekening heeft gehouden met de situatie uit het verleden die aanleiding is geweest om het Pgb toentertijd toe te kennen. Daarbij vindt eiseres het merkwaardig dat een verzoek om uitbreiding tot beëindiging van het Pgb heeft geleid. Nu verweerder ambtshalve geen aanleiding heeft gezien om de bestaande situatie aan een nieuw onderzoek te onderwerpen, was extra zorgvuldigheid geboden. Eiseres voert daarnaast aan dat de informatie van de huisarts van 30 januari 2019 niet op voldoende kenbare wijze in de beoordeling is betrokken. De huisarts heeft aangegeven zich voor te kunnen stellen dat zwaarder huishoudelijk werk voor eiseres en haar echtgenoot lastig is. De strekking daarvan is dat dat eiseres en haar echtgenoot dermate ernstige klachten hebben dat een intensivering van de huishoudelijke hulp dan wel in elk geval een voortzetting ervan noodzakelijk is, aldus eiseres.
4. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Vooropgesteld wordt dat de Wmo 2015 in werking getreden en is de Wmo ingetrokken. Dat eiseres per 7 november 2014 huishoudelijke hulp voor 3 uren per week via het Pgb kreeg was dus onder de oude wet. Het in artikel 8.9, eerste en tweede lid, van de Wmo 2015 geregelde overgangsrecht houdt in dat onder de Wmo toegekende individuele voorzieningen kunnen worden ingetrokken of gewijzigd indien de bij of krachtens de Wmo 2015 gestelde regels daartoe aanleiding geven (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 februari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:398). Bij de beoordeling of op basis van de Wmo 2015 plaats is voor een maatwerkvoorziening, dienen de feiten en omstandigheden zoals die ten tijde van die beoordeling bestaan te worden gewogen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medisch adviseur in dit geval (ook) rekening had moeten houden met informatie die tot toewijzing van de voorziening onder de oude wet heeft geleid. Die toekenning dateerde immers al van ruim vier jaar daarvoor en uit het dossier komt naar voren dat daartoe destijds geen medisch advies is ingewonnen of informatie is opgevraagd.
5. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de informatie van de huisarts onvoldoende bij de beoordeling is betrokken of dat het medisch advies waarop verweerder zich heeft gebaseerd anderszins onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, of onjuist is. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de medisch adviseur eiseres thuis heeft bezocht op 22 januari 2019 en daarbij een anamnese heeft afgenomen en observaties heeft verricht. Tijdens dit bezoek vond zowel functiegericht (lichamelijk) onderzoek als oriënterend psychisch onderzoek plaats van eiseres (en haar echtgenoot). Daarnaast heeft de medisch adviseur informatie ingewonnen bij de huisarts van eiseres en echtgenoot. De ontvangen informatie - de door eiseres bedoelde brief van 30 januari 2019 - is kenbaar beoordeeld en betrokken in de conclusies van de medisch adviseur. Daarbij heeft de medisch adviseur ook benoemd dat de huisarts heeft opgemerkt dat die zich voor kan stellen dat zwaarder huishoudelijk werk lastig is. De medisch adviseur heeft echter overwogen dat uit de informatie van de huisarts niet blijkt van factoren die verrichten van huishoudelijke taken structureel in de weg staan. Dat de medisch adviseur de informatie van de huisarts daarbij niet goed zou hebben geduid is de rechtbank niet gebleken. De medisch adviseur heeft op basis van zijn eigen onderzoeksbevindingen en de medische informatie van de huisarts geconcludeerd dat eiseres enige fysieke klachten en beperkingen ervaart van (een combinatie van) fysieke aandoeningen, maar dat er geen afwijkingen of beperkingen zijn die een belemmering vormen voor het verrichten van huishoudelijke taken. Weliswaar is bij eiseres sprake van een beperkte fysieke conditie, maar die vormt geen contra-indicatie voor bewegen. Volgens de medisch adviseur moet eiseres in staat worden geacht alle huishoudelijke taken (op gedoseerde wijze) zelf te verrichten.
6. Eiseres stelt onder verwijzing naar de uitspraak van de CvRB van 3 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3108) dat in een onderzoeksrapport concreet moet worden gemaakt wat de beperkingen van een betrokkene zijn, wat voor problemen worden ervaren en wat de hulpvraag precies is. Volgens eiseres voldoet het medisch advies hieraan niet, omdat de medisch adviseur uitermate vaag is. Hij heeft het over een ‘interne aandoening die redelijk stabiel is ingesteld’. Deze grond treft geen doel. Gelet ook op de medische informatie van de huisarts van 30 januari 2019, is evident dat ‘de interne aandoening die redelijk stabiel is ingesteld’ verwijst naar de diabetes van eiseres. De rechtbank ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de medisch adviseur de medische situatie van eiseres en de door haar ervaren problemen en hulpvraag onvoldoende in kaart heeft gebracht.
7. Nu wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor twijfel aan het medisch advies, heeft verweerder heeft zich op basis daarvan op het standpunt kunnen stellen dat eiseres in staat wordt geacht alle huishoudelijke taken zelf te verrichten en dat zij daarom niet voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.
8. De stelling dat verweerder niet op overtuigende wijze naar voren heeft gebracht dat de echtgenoot van eiseres benodigde hulp kan bieden, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het medisch advies komt immers naar voren dat eiseres (ook) zelf alle huishoudelijke taken aan kan.
9. Tot slot stelt eiseres dat zij verweerder op 23 december 2019 in gebreke heeft gesteld wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. Verweerder was gehouden om op deze aanvraag een beslissing te nemen en om de verschuldigde dwangsom in het bestreden besluit te verwerken en uit te keren. Deze grond slaagt ook niet. Op 11 mei 2020 heeft verweerder een brief aan (de gemachtigde van) eiseres gestuurd waarin staat dat verweerder inderdaad niet binnen twee weken na de ingebrekestelling heeft besloten. Het verzoek om uitbetaling van de dwangsom ad € 230,00 is door verweerder toegekend. Nu de dwangsom door verweerder is uitbetaald, heeft eiseres bij deze grond geen belang meer.
10. Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. C.T. Aalbers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S.J. van Kooij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2021.
rechter
De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.