ECLI:NL:RBDHA:2021:800

ECLI:NL:RBDHA:2021:800, Rechtbank Den Haag, 04-02-2021, NL20.6998

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-02-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL20.6998
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:EU:C:2022:451
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 14 zaken
Aangehaald door 13 zaken
15 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0011823 BWBR0011825 BWBR0034925 CELEX:32000X1218 CELEX:32003L0086 CELEX:32008L0115 CELEX:32011L0095 CELEX:32013L0032 EU:32000X1218 EU:32003L0086 EU:32008L0115 EU:32011L0095 EU:32013L0032

Samenvatting

Prejudiciële vragen medische uitzettingsbeletselen en medische behandeling als aspect van privéleven. Eiser heeft een zeldzame vorm van bloedkanker. Hij wordt in Nederland reeds gedurende geruime tijd in het kader van pijnbestrijding behandeld met medicinale cannabis. In het land van herkomst van eiser is medicinale cannabis niet beschikbaar. Uit de informatie van de behandelaars blijkt dat eiser intense pijnen heeft die door de huidige behandeling net draaglijk zijn en dat voor alternatieve pijnstillende medicatie een contra-indicatie bestaat. BMA geeft aan dat de werking van medicinale cannabis als geneesmiddel niet kan worden vastgesteld en niet kan worden vastgesteld dat een medische noodsituatie zal ontstaan als deze wijze van pijnbestrijding niet kan worden voortgezet. De rechtbank zal, afhankelijk van de beantwoording van de vragen door het Hof, in een latere fase van de procedure een medisch deskundige benoemen om zich te laten informeren over de te verwachten medische gevolgen van het stopzetten van pijnbestrijding met medicinale cannabis. De behandelaars van eiser zijn vanwege de behandelrelatie geen objectieve deskundigen, terwijl BMA niet hoeft na te gaan of alternatieve medicatie die in beginsel adequaat is als pijnbestrijding ook daadwerkelijk voor eiser als volwaardig alternatief kan gelden. De rechtbank acht het noodzakelijk alvorens over te gaan tot het benoemen van een of meerdere medisch deskundigen uitleg te verkrijgen van het Hof over de reikwijdte van de bescherming die artikelen 1, 4 en 19 van het Handvest van de Grondrechten biedt aan ernstig zieke vreemdelingen. De rechtbank legt aan het Hof de vraag voor of de wijze waarop in de nationale rechtspraktijk wordt beoordeeld of sprake is van medische uitzettingsbeletselen verenigbaar is met het Unierecht. Uit de jurisprudentie van het EHRM en van het Hof wordt dit onvoldoende duidelijk. De rechtbank wenst te vernemen of een achteruitgang in de gezondheid is vereist om een medische noodsituatie aan te nemen of dat een intensivering van ernstig lijden bij een ongewijzigd ziektebeeld ook onder artikel 4 Handvest kan vallen. Voorts wil de rechtbank alvorens een medisch deskundige te benoemen om te laten beoordelen welke medische gevolgen op welke termijn zijn te verwachten als de pijnbestrijding wordt gestaakt, weten van het Hof of een rechtspraktijk waarin een vaste termijn (van drie maanden) is bepaald waarbinnen medische gevolgen zich moeten verwezenlijken om bij de beoordeling te worden betrokken verenigbaar is het met het Unierecht en met name het absolute karakter van artikel 4 Handvest. Het Hof wordt bovendien gevraagd of de feitelijke gevolgen van de enkele terugkeer/uitzetting moeten worden betrokken bij de beoordeling of sprake zal zijn van een medische noodsituatie na terugkeer of dat het volstaat, zoals in de nationale rechtspraktijk is voorzien, dit enkel te betrekken bij de vraag of en onder welke voorwaarden de vreemdeling kan reizen. Tot slot acht de rechtbank een nadere uitleg van artikel 7 van het Handvest noodzakelijk om uitspraak te kunnen doen. De rechtbank vraagt het Hof om te verduidelijken of het ondergaan van een medische behandeling beschermingswaardig privéleven kan opleveren. De vraag die dan rijst is of het ondergaan van een medische behandeling moet worden betrokken bij het beoordelen of een reguliere verblijfsvergunning moet worden verleend of dat privéleven moet worden beoordeeld bij de vraag of sprake is van medische uitzettingsbeletselen. Voor de vreemdeling is dit relevant omdat een verblijfsvergunning op medische gronden een juridisch sterker verblijfsrecht oplevert dan (tijdelijk) uitstel van vertrek vanwege medische uitzettingsbeletselen. De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie de navolgende prejudiciële vragen te beantwoorden: I Kan een aanzienlijke toename van intensiteit van pijn door het uitblijven van een medische behandeling bij een ongewijzigd ziektebeeld een situatie opleveren die in strijd is met artikel 19, tweede lid, Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie gelezen in samenhang met artikel 1 Handvest en artikel 4 Handvest indien geen uitstel van de vertrekplicht die voortvloeit uit de Terugkeerrichtlijn wordt toegestaan? II Is het bepalen van een vaste termijn waarbinnen de gevolgen van het uitblijven van een medische behandeling zich moeten verwezenlijken om medische beletselen voor een terugkeerplicht die voortvloeit uit de Terugkeerrichtlijn aan te moeten nemen verenigbaar met artikel 4 Handvest gelezen in samenhang met artikel 1 Handvest? Indien het bepalen van een vaste termijn niet in strijd is met het recht van de Unie, is het een lidstaat dan toegestaan een algemene termijn te bepalen die voor alle mogelijke medische aandoeningen en alle mogelijke medische gevolgen gelijkluidend is? III Is het bepalen dat de gevolgen van de feitelijke uitzetting uitsluitend beoordeeld dienen te worden bij de vraag of en onder welke voorwaarden de vreemdeling kan reizen verenigbaar met artikel 19, tweede lid, Handvest gelezen in samenhang met artikel 1 Handvest en artikel 4 Handvest en de Terugkeerrichtlijn. IV Vereist artikel 7 Handvest, gelezen in samenhang met artikel 1 Handvest en artikel 4 Handvest en tegen de achtergrond van de Terugkeerrichtlijn, dat de medische gesteldheid van de vreemdeling en de behandeling die hij hiervoor in de lidstaat ondergaat dient te worden beoordeeld bij de vraag of privé-leven tot verblijfsaanvaarding moet leiden? Vereist artikel 19, tweede lid, Handvest, gelezen in samenhang met artikel 1 Handvest en artikel 4 Handvest en tegen de achtergrond van de Terugkeerrichtlijn dat bij de beoordeling of medische problemen uitzettingsbeletselen kunnen opleveren privé-leven en familieleven zoals bedoeld in artikel 7 Handvest betrokken dienen te worden?

Uitspraak

Juridisch kader - Recht van de Unie

Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie

Artikel 1 - De menselijke waardigheid

De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.

Artikel 4 - Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Artikel 7 - De eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven

Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en

zijn communicatie.

Artikel 19 - Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering

(…)

2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.

Artikel 51 - Toepassingsgebied

1. De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.

(…)

Artikel 52 - Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen

(…)

3. Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.

(…)

RICHTLIJN 2008/115/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 december 2008

over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Terugkeerrichtlijn)

Artikel 5 - Non-refoulement, belang van het kind, familie- en gezinsleven en gezondheidstoestand

Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met:

(…)

c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van

een derde land,

en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.

Artikel 6 - Terugkeerbesluit

(…)

(4) De lidstaten kunnen te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm

van toestemming tot legaal verblijf.

Artikel 9 - Uitstel van verwijdering

(…)

2. De lidstaten kunnen op grond van de specifieke omstandigheden de verwijdering in een individueel geval voor een passende termijn uitstellen. Door de lidstaten wordt met name

rekening gehouden met:

a. a) de fysieke of mentale gesteldheid van de onderdaan van een

derde land;

(…)

Juridisch kader – Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden

Artikel 3 – Verbod van foltering

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Artikel 8 - Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

(…)

Juridisch kader – Nederlandse regelgeving en beleid

Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

Artikel 64

Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) - Beleid

A3/7

7. Geen uitzetting om gezondheidsredenen

Algemeen

De IND kan uitstel van vertrek verlenen op grond van artikel 64 Vw als:

•De vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen; of

•Er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen.

Vreemdeling is niet in staat om te reizen

De vreemdeling krijgt uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw als BMA aangeeft dat voor de vreemdeling of één van zijn gezinsleden vanwege de gezondheidssituatie medisch gezien niet verantwoord is om te reizen.

(…)

Reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen

De vreemdeling krijgt uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, als sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen.

Er is uitsluitend sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM:

•als uit het advies van het BMA blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie; en

•als de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf niet beschikbaar is; of

•als in geval de noodzakelijke medische behandeling wel beschikbaar is, gebleken is dat deze aantoonbaar niet toegankelijk is.

Medische noodsituatie

Onder een medische noodsituatie verstaat de IND: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

(…)

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. van Lokven

Griffier

  • mr. M.W.M. Bankers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JV 2021/63
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?