ECLI:NL:RBDHA:2021:9161

ECLI:NL:RBDHA:2021:9161, Rechtbank Den Haag, 12-08-2021, AWB - 21 _ 3160, AWB - 21 _ 3161, AWB - 21 _ 3162 en AWB - 21 _ 3431

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-08-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB - 21 _ 3160
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2023:163
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Voorlopige voorziening hangende beroep. De voorzieningenrechter doet ook uitspraak op het beroep in de bodemzaak en de andere twee beroepen van eiser. Verweerder heeft de aanvragen van eiser om een omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen afwijzen wegens strijd met het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Ook heeft verweerder in redelijkheid tot invordering van de verbeurde dwangsom kunnen overgaan. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder pas behoorde te handhaven nadat de procedures inzake de omgevingsvergunningen geheel zijn doorlopen. Nu eiser niet aan de gehele last heeft voldaan, is hij daarmee de gehele dwangsom verschuldigd. De beroepen zijn ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Bijzondere kenmerken: Voorlopige voorziening

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, verweerder(gemachtigden: mr. E.F. van Beusekom en W.B.A. Mullink).

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 21/3160, SGR 21/3161, SGR 21/3162 en SGR 21/3431

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 augustus 2021 op de beroepen en het verzoek om een voorlopige voorziening van

(gemachtigde: mr. J.W. Landman),

en

Procesverloop

In het besluit van 19 maart 2020 (primair besluit I) heeft verweerder eisers aanvraag om een omgevingsvergunning gedeeltelijk afgewezen en eiser een omgevingsvergunning verleend.

In het besluit van 9 juni 2020 (primair besluit II) heeft verweerder eisers aanvraag om een omgevingsvergunning afgewezen.

In het besluit van 3 september 2020 (primair besluit III) heeft verweerder een dwangsom ten bedrage van € 8.000,- van eiser ingevorderd.

In het besluit van 16 maart 2021 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit I ongegrond verklaard.

In het besluit van 16 maart 2021 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit II ongegrond verklaard.

In het besluit van 22 maart 2021 (bestreden besluit III) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit III ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten (SGR 21/3160, SGR 21/3161 en SGR 21/3162). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen tot schorsing van bestreden besluit III (SGR 21/3431).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaken. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep gericht tegen bestreden besluit III. Daarnaast doet de voorzieningenrechter uitspraak op de beroepen gericht tegen bestreden besluiten I en II.

2. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 29 oktober 2019 heeft verweerder een last onder dwangsom aan eiser opgelegd wegens het zonder omgevingsvergunning aanbrengen van een rolluik, een signaallamp, camera’s en een reclamebord aan het bij eiser in gebruik zijnde pand aan de [straat] [huisnummer] te [plaats] . Verweerder heeft een begunstigingstermijn vastgesteld van twaalf weken na verzending van het besluit en eiser een eenmalige dwangsom opgelegd van € 8.000,-. De begunstigingstermijn is laatstelijk verlengd tot vier weken na het besluit op bezwaar. Bij besluit op bezwaar van 2 april 2020 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 29 oktober 2019 ongegrond verklaard en de opgelegde last gehandhaafd. Eiser heeft hier geen rechtsmiddelen tegen aangewend, waardoor dit besluit onherroepelijk is geworden.

Eiser heeft op 13 december 2019 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van de reeds aangebrachte voorgevelwijzigingen, te weten een rolluik, een signaallamp, drie camera’s en een gewijzigde handelsreclame-uiting aan voornoemd pand. Bij primair besluit I heeft verweerder de omgevingsvergunning voor het legaliseren van het rolluik geweigerd, op de grond dat het rolluik het uitwendig karakter van het karakteristieke pand wijzigt. Dit is in strijd met het bestemmingsplan. Daarnaast voldoet het rolluik niet aan de redelijke eisen van welstand. De overige aangevraagde onderdelen zijn wel vergund. Bij bestreden besluit I heeft verweerder primair besluit I gehandhaafd.

Op 20 april 2020 heeft eiser opnieuw een omgevingsvergunning aangevraagd, ditmaal voor het vervangen van het bestaande rolluik door een voor 75% transparant rolluik aan de buitenzijde. Bij primair besluit II heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, op de grond dat het aan een buitenkant van de gevel aangebrachte rolluik in strijd is met het bestemmingsplan en met de redelijke eisen van welstand. Bij bestreden besluit II heeft verweerder primair besluit II gehandhaafd.

Bij primair besluit III heeft verweerder een dwangsom van € 8.000,- van eiser ingevorderd, op de grond dat eiser niet aan de opgelegde last heeft voldaan. Bij bestreden besluit III heeft verweerder primair besluit III gehandhaafd.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

In de beroepen met zaaknummers SGR 21/3160 en SGR 21/3161

In geschil is of verweerder eisers aanvragen van 13 december 2019 en 20 april 2020 in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

Eiser vindt de besluitvorming onzorgvuldig. Door een ambtenaar van verweerder is toegezegd dat overleg zou plaatsvinden voor het vinden van een acceptabel alternatief. Dit overleg heeft niet plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken van wisselvallige of anderszins onzorgvuldige besluitvorming. Dat er naar de mening van eiser (meer) overleg had moeten plaatsvinden is daarvoor onvoldoende. Bovendien blijkt uit het dossier dat bijvoorbeeld de welstandscommissie diverse suggesties heeft gedaan over een welstandshalve aanvaardbare oplossing. Verder is niet gebleken van een ambtelijke toezegging dat de besluitvorming zou worden stilgelegd tot door middel van overleg een voor eiser aanvaardbare oplossing zou zijn gevonden. De beroepsgrond slaagt niet.

Eiser betoogt dat de belangenafweging onzorgvuldig is. Zijn belang om gevrijwaard te zijn van vandalisme is onvoldoende meegewogen, zeker nu het rolluik het historische karakter van de binnenstad alleen ’s nachts belast.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een rolluik aan de buitenzijde van het pand in strijd is met het bestemmingsplan, omdat dit tot een ernstige en niet aanvaardbare aantasting van het historisch gevelbeeld leidt. De gevolgen voor de karakteristieke waarden van het pand en cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht zijn niet acceptabel. Verweerder ziet daarom geen aanleiding om van het bestemmingsplan af te wijken.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het rolluik het uitwendig karakter van het karakteristieke pand wijzigt. Dit is in strijd met artikel 24.4.2 van het bestemmingsplan. De omstandigheid dat elders in de straat een modern pand is gebouwd, maakt niet dat de aanduiding karakteristiek voor het pand aan de [straat] [huisnummer] is vervallen. Een dergelijk gevolg is ook uit de rechtspraak niet af te leiden. De stelling dat het rolluik nodig is om vernielingen of vandalisme tegen te gaan heeft eiser niet onderbouwd. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hem uit navraag bij de politie niet is gebleken van incidenten. Eiser heeft dit niet gemotiveerd betwist. De grond slaagt niet

Eiser kan zich niet vinden in het negatieve welstandsadvies. Hij heeft in bezwaar een notitie van ing. H. Wilton (Wilton) van 19 januari 2021 ingebracht. Hierin wordt gesteld dat de [straat] door het oprichten van de cortenstalen gevel naast het door eiser gehuurde pand niet meer geacht kan worden deel uit te maken van de historische binnenstad, zodat het beschermd stadsgezicht niet meer als toetsingskader kan gelden voor de welstandstoets. Volgens eiser heeft verweerder dit advies ten onrechte niet tijdig naar de Regionale Commissie Bezwaarschriften gezonden, waardoor het niet bij de beoordeling is betrokken.

Verweerder heeft eisers bouwplannen aan de Welstands- en Monumentencommissie Leiden (de welstandscommissie) voorgelegd. De welstandscommissie heeft zowel ten aanzien van de eerste bouwaanvraag op 15 januari 2020 als ten aanzien van de tweede bouwaanvraag op 27 mei 2020 een negatief advies uitgebracht, De welstandscommissie is van oordeel dat de op de gevel gemonteerde omkasting en het rolluik in gesloten toestand een te negatieve invloed op de uitstraling van het pand en het straatbeeld hebben. In het advies van 27 mei 2020 wordt daarover opgemerkt:

“De commissie heeft bezwaar tegen een rolluik met kast aan de buitenzijde van de gevel, omdat daarmee de karakteristieke uitstraling van het pand (karakteristiek pand) en het straatbeeld (historische binnenstad, Rijks beschermd stadsgezicht) negatief beïnvloed wordt.

Geadviseerd wordt het rolluik (inclusief omkasting) aan de binnenzijde van de pui te plaatsen, conform het welstandsbeleid van de gemeente (welstandsnota Leiden 2014, hoofdstuk 7 objectcriteria, object 7 rolhekken, rolluiken en luiken).”

Verweerder heeft ter zitting aangevoerd de notitie van Wilton niet als tegenadvies aan te merken, nu hierin niet is ingegaan op de geldende welstandscriteria. Evenmin wordt daarin uiteengezet dat de welstandscommissie de welstandscriteria niet juist heeft toegepast of geïnterpreteerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de notitie daarom niet aan de welstandscommissie heeft hoeven voorleggen.

Volgens vaste rechtspraak, zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 mei 2013, mag een bestuursorgaan, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan een dergelijk advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit hetgeen eiser heeft aangevoerd niet dat verweerder de aan de bestreden besluiten I en II ten grondslag gelegde welstandsadviezen niet aan zijn besluiten ten grondslag mocht leggen. Van gebreken naar inhoud of wijze van totstandkoming van de adviezen is de voorzieningenrechter niet gebleken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de welstandscommissie bovendien het welstandsadvies draagkrachtig en uitvoerig gemotiveerd.

Verweerder heeft toereikend gemotiveerd waarom de notitie van Wilton niet kan worden aangemerkt als deskundig tegenadvies. Aanvullend overweegt de voorzieningen-rechter dat - nog daargelaten de afwezigheid van een afweging op basis van de welstands-criteria - in de notitie wordt gesproken over ”cliënt” en dat in de notitie een pleidooi wordt gevoerd ten faveure van het standpunt van eiser, zodat niet kan worden gesproken van een onafhankelijk advies.

Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Ten aanzien van een serre in de Hooglandsekerk-Choorsteeg is een welstandsadvies uitgebracht waarin is geconcludeerd dat, hoewel de serre niet hoort in de historische binnenstad, deze kan blijven staan omdat hij geheel reversibel is. Ook het rolluik is geheel reversibel. Verder is verweerder in een aantal gevallen afgeweken van een negatief welstandsadvies over de sloop van panden in de [straat] en bij de realisering van de cortenstalen gevel naast het door eiser gehuurde pand. Deze afwijkingen acht eiser vele malen groter dan het plaatsen van een rolluik dat enkel ’s nachts zichtbaar is.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat ten tijde van de aanvraag voor de serre nog een andere Welstandsnota, namelijk die van 2010, van toepassing was dan thans. Daarnaast heeft verweerder onweersproken betoogd dat op de serre een ander bestemmingsplan van toepassing is. Ook overigens gaat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet om vergelijkbare gevallen, nu het in onderhavige zaak niet om een serre maar een rolluik gaat. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder eisers aanvragen van 13 december 2019 en 20 april 2020 om een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een rolluik in redelijkheid kunnen afwijzen. De beroepen tegen de bestreden besluiten I en II kunnen daarom niet slagen.

In het beroep met zaaknummer SGR 21/3162

Eiser betoogt dat pas gehandhaafd behoort te worden, nadat de procedures tegen bestreden besluiten I en II geheel zijn doorlopen. Verder verzet hij zich ertegen dat de dwangsom geheel wordt ingevorderd. De last onder dwangsom zag op alle geconstateerde overtredingen, die eiser, behoudens het rolluik, inmiddels heeft laten legaliseren. Dit komt ten onrechte niet tot uitdrukking in de hoogte van de dwangsom.

Tijdens een controle op 7 mei 2020 heeft verweerder geconstateerd dat nog steeds sprake is van een rolluik aan de buitenzijde van de gevel van het pand aan de [straat] [huisnummer] . Dit is niet door eiser weersproken. Hieruit volgt dat de dwangsom van € 8.000,- van rechtswege is verbeurd.

Een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan van invordering worden afgezien. De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat in de op 4 april 2018 door Staatsraad Advocaat-Generaal mr. P.J. Wattel genomen conclusie onder meer als bijzondere omstandigheden zijn genoemd dat: (i) aan de last niet voldaan kon worden door overmacht, (ii) het niet (geheel) aan de last voldaan zijn mede aan de overheid ligt, die bijvoorbeeld een onduidelijke last heeft opgelegd, (iii) het bestuursorgaan heeft toegezegd dat (deels) niet zal worden ingevorderd of een beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt, (iv) invordering misbruik van bevoegdheid zou zijn of (v) materieel wel aan de last voldaan is en het bestuursorgaan zich op een procedureel punt(je) excessief formalistisch opstelt.

De voorzieningenrechter stelt vast dat ten tijde van het nemen van bestreden besluit III op 22 maart 2021, gelet op bestreden besluit I en II, duidelijk was dat verweerder niet genegen was om het rolluik te legaliseren. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd kunnen geen bijzondere omstandigheden worden gedestilleerd als bedoeld in overweging 8.3. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat in het feit dat eiser aan drie van de vier in het besluit van 29 oktober 2019 genoemde onderdelen van de last heeft voldaan voor verweerder geen aanleiding was gelegen om het in te vorderen bedrag te matigen. De reden daarvoor is dat de aan de last verbonden dwangsom niet is gedifferentieerd per onderdeel. Nu eiser niet aan de gehele last heeft voldaan is hij daarmee de gehele dwangsom verschuldigd. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom terecht beslist om een bedrag van € 8.000,- van eiser in te vorderen.

Algemeen

9. De beroepen zijn ongegrond.

10. Omdat de beroepen ongegrond zijn, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op de beroepen binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?