UITSPRAAK
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL21.3582 en NL21.3778
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam eiser] , eiser
[persoonsnummer]
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2021 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Op 12 maart 2021 heeft verweerder de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 opgeheven en vervolgens de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 aan eiser opgelegd.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Bouker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. B.H. Wezeman. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
De rechtbank heeft het onderzoek op 22 maart 2021 heropend. Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Bouker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. J.W. van Deel. De rechtbank heeft het nader onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
Ten aanzien van beide beroepen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.
2.1 Eiser voert aan dat de ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000, onrechtmatig was, omdat een verhoor tijdens de ophouding achterwege is gebleven.
2.2 Deze beroepsgrond faalt. Uit de bewoordingen van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 valt niet op te maken dat verweerder gehouden is een vreemdeling die op de voet van deze bepaling is opgehouden, tijdens die ophouding te horen. Anders dan bij de inbewaringstelling krachtens artikel 59 van de Vw 2000 is in het Vreemdelingenbesluit 2000 niet voorzien in een verplichting de desbetreffende vreemdeling in het kader van diens ophouding te horen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3474).
3.1 Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat het voor hem zichtbare systeem de melding geeft dat de elektronische handtekeningen onder diverse stukken niet geldig zijn.
3.2 Ook deze grond slaagt niet. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat het valideren van een digitale handtekening van AVIM op verschillende manieren kan worden gedaan. Voor het valideren van de elektronische handtekening middels een pdf-viewer is het noodzakelijk om een recente versie van Adobe te gebruiken, omdat men anders ten onrechte foutmeldingen kan krijgen. De rechtbank heeft verder van diverse stukken de ondertekening gecontroleerd en vastgesteld dat in die stukken de elektronische handtekening geldig is.
Omdat verder niet duidelijk is hoe eiser de validatie heeft verricht, ziet de rechtbank geen aanleiding om niet uit te gaan van de geldigheid van de door verweerder ingebrachte stukken. Dat de ondertekening van de besluiten tot oplegging van een bewaringsmaatregel heeft plaatsgevonden vóór het ingaan van de maatregel maakt evenmin dat geen sprake is van een rechtsgeldig besluit. De rechtbank acht aannemelijk dat tussen het moment van ondertekening en het moment van het ingaan van de maatregel nog (administratieve) handelingen moesten worden verricht. Van belang is verder dat de besluiten tot oplegging van de maatregelen vermelden dat een exemplaar aan de vreemdeling is uitgereikt, hetgeen niet door eiser is bestreden. Daarmee is voldaan aan de eisen van artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000.
4.1 In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
4.2 Eiser heeft de gronden onder 3b, 3d en 4d gemotiveerd betwist. Verweerder heeft ter zitting de grond onder 4e laten vervallen.
4.3 Naar het oordeel van de rechtbank zijn de niet betwiste gronden onder 3a, 3c, 4a en 4c voldoende om de maatregelen te dragen, zodat de door eiser betwiste gronden geen bespreking behoeven.
5. Anders dan eiser stelt is de rechtbank verder van oordeel dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt. Hierbij is ten eerste van belang dat naar vaste jurisprudentie van de Afdeling het zicht op uitzetting naar Algerije in algemene zin niet ontbreekt. De duur van de bewaring is in het geval van eiser bovendien nog niet zodanig lang dat nu al de conclusie zou moeten worden getrokken dat, bij voldoende medewerking van eiser, een uitzetting binnen redelijke termijn onmogelijk moet worden geacht.
6.1 Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
6.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de niet bestreden gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder heeft de door eiser in dit verband aangevoerde omstandigheden bij het opleggen van de besluiten betrokken. Dat de uitkomst van die afweging anders is dan eiser wenst, maakt de afweging op zichzelf niet onjuist. Eiser heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat in dit geval met een lichter middel had moeten worden volstaan. Verder is in dit verband van belang dat na een eerdere oplegging van een maatregel op grond van artikel 56 van de Vw 2000, zoals blijkt uit het dossier, eiser met onbekende bestemming is vertrokken zodat het risico op onttrekking groot moet worden geacht.
Ten aanzien van het beroep NL21.3778
7.1 Eiser voert aan dat zijn recht op consulaire bijstand is geschonden. Eiser wijst erop dat in het proces-verbaal van gehoor op grond van artikel 59 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 5.2 van het Vb 2000 van 12 maart 2021 staat vermeld dat eiser is gewezen op zijn recht op consulaire bijstand en dat eiser te kennen heeft gegeven daar gebruik van te willen maken. Verweerder heeft de Algerijnse autoriteiten daarvan niet op de hoogte gesteld, zodat sprake is van schending van artikel 5.5, tweede lid, van het Vb 2000 en artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen (het Verdrag), aldus eiser.
7.2 Uit artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van het Verdrag en artikel 5.5, tweede lid van het Vb 2000 volgt dat indien verweerder een vreemdeling heeftgewezen op het hem toekomende recht op consulaire bijstand en deze om die bijstand verzoekt, op verweerder de plicht rust om zo spoedig mogelijk van de inbewaringstelling kennis te geven aan de in Nederland gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land van herkomst van de desbetreffende vreemdeling. Daarmee wordt voorkomen dat deze vertegenwoordiging feitelijk de rechten van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a en c, van het Verdrag niet kan uitoefenen. De rechtbank stelt vast dat verweerder dat in de zaak van eiser niet heeft gedaan. De enkele mededeling aan DT&V dat ervoor gezorgd moet worden dat eiser contact kon opnemen met zijn consulaat is onvoldoende.
7.3 Dat het aan eiser toekomende recht op consulaire bijstand is geschonden betekent niet dat er geen ruimte is voor een belangenafweging. Gelet op wat hiervoor onder rechtsoverweging 4 is geoordeeld over de niet betwiste gronden van de maatregel, het feit dat eiser zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken en de omstandigheid dat niet is gebleken dat eiser als gevolg van het geconstateerde gebrek nog nader en meer in het bijzonder in zijn belang is geschaad of dat de bewaring overigens in strijd is met het recht, bestaat geen grond voor het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BP0428). Dat betekent dat dit gebrek niet leidt tot de conclusie dat de bewaring zou moeten worden opgeheven. De rechtbank zal ondanks dit gebrek het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand laten.
8.1 Met partijen stelt de rechtbank vast dat na opheffing van de maatregel van 9 maart 2021 op 12 maart 2021 om 14.15 uur aanvankelijk een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is opgelegd met het oog op de nationale veiligheid. Vervolgens is om 15.30 uur een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 onder verwijzing naar de openbare orde. Partijen zijn het erover eens dat ten onrechte is verwezen naar de nationale veiligheid als reden voor het opleggen van de maatregel van 14.15 uur. Partijen zijn verdeeld over de vraag welke gevolgen de onjuiste grondslag van de maatregel van 14.15 uur heeft voor de vervolgens om 15.30 uur opgelegde maatregel.
8.2 Uitgangspunt is dat een aan de eerste maatregel van bewaring klevend gebrek de daarop volgende maatregel niet alleen al daarom van aanvang af onrechtmatig maakt (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005). De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ook in de maatregel van 14.15 uur is gewezen op het feit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Vervolgens is in het besluit verwezen naar de hiervoor onder rechtsoverweging 4 genoemde gronden. In zoverre is dan ook geen sprake van een inhoudelijk ander besluit dan het besluit van 15.30 uur. Verder zijn door eiser geen omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat er sprake is van een dusdanige schending, dat een uitzondering op het hiervoor genoemde uitgangspunt is gerechtvaardigd. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanknopingspunt om de bewaring op te heffen.
9.1 Onder 7.2 is geoordeeld dat het aan eiser toekomende recht op consulaire bijstand is geschonden. De rechtbank ziet gelet op wat onder 7.3 is overwogen aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.
9.2 Nu het besluit van 12 maart 2021 niet wordt vernietigd en in stand blijft, dient de rechtbank, gelet op artikel 8:72, eerste lid, van de Awb, het beroep ongegrond te verklaren.
9.3 De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wel aanleiding te bepalen dat verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten te veroordelen. Eiser heeft immers terecht de beroepsgrond voorgedragen dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1,5 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
9.4 De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Mr. N.M. van Waterschoot
Rechter
Rechtbank Amsterdam
M.R. van Kerkwijk
Griffier
Rechtbank Amsterdam
01 april 2021