RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.15871
V-nummer: [v-nummer 1] ,
mede namens zijn minderjarige kind:
[minderjarige] ,
V-nummer: [v-nummer 2]
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
(gemachtigde: mr. C. Wesenbeek)
Procesverloop
Bij besluit van 15 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 10 oktober 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn minderjarige kind zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk in de Engelse taal is verschenen M. Fajez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1982.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Volgens verweerder is Litouwen namelijk verantwoordelijk voor de behandeling daarvan, nu uit EU-VIS is gebleken dat eiser op 16 september 2021 door Litouwen in het bezit is gesteld van een Schengenvisum. Verweerder heeft daarom bij Litouwen een verzoek om overname gedaan. Litouwen heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Litouwen per 26 maart 2022 vaststaat.
Wat vinden partijen in beroep?
3. De gemachtigde van eiser stelt zich op het standpunt dat ten opzichte van Litouwen niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiser houdt Litouwen zich niet aan het Vluchtelingenverdrag en levert overdracht aan Litouwen schending op van artikel 3 van het EVRM. Eiser vreest dat hij geen toegang tot rechtshulp, passende opvang en medische voorzieningen zal krijgen. Volgens eiser worden er in Litouwen veel asielzoekers arbitrair gedetineerd onder onmenselijke omstandigheden. Eiser vreest daarom voor (indirect) refoulement als hij aan Litouwen wordt overgedragen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar het rapport van Amnesty International van 27 juni 2022 en naar een persbericht van 16 mei 2022. Verder wordt door eiser gewezen op de uitspraak van het Duitse Verwaltungsgericht Hannover van 23 februari 2022 waaruit blijkt dat de Duitse rechter van oordeel is dat overdracht aan Litouwen kan leiden tot strijdigheid met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Een en ander klemt temeer omdat eiser als alleenstaande vader met een jong kind als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt, zoals bedoeld in het Jawo arrest.
4. Verweerder heeft gemotiveerd op de beroepsgronden gereageerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In het algemeen mag verweerder ten opzichte van Litouwen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan.
In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er in de situatie van eiser niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser overgelegde algemene informatie over het niet accepteren van asielaanvragen en het automatisch detineren van asielzoekers door de Litouwse autoriteiten, enkel ziet op vreemdelingen die illegaal Litouwen zijn binnengekomen. Deze informatie biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat Dublinclaimanten in Litouwen in een vergelijkbare positie terecht komen. De maatregelen zijn dan ook niet van toepassing op eiser. Eiser is immers op basis van een visum op legale wijze Litouwen ingereisd, en wordt op die grond als Dublinclaimant overgedragen aan Litouwen.
Ten overvloede merkt de rechtbank in dit kader nog op dat het Administratief Hooggerechtshof van Litouwen op 28 juli 2022 heeft geoordeeld dat de maatregel waarbij vreemdelingen die illegaal de grens oversteken in detentie worden gezet, in strijd is met het Unierecht en dat elke vreemdeling het recht heeft asiel aan te vragen in Litouwen. Ook bij de hiervoor genoemde categorie vreemdelingen zullen deze maatregelen daarom niet meer aan de orde zijn. Verweerder heeft voorts ten aanzien van de uitspraak van het Duitse Verwaltungsgericht Hannover terecht opgemerkt dat – nog daargelaten dat het een oordeel van een buitenlandse rechtbank betreft – de uitspraak geen inhoudelijk eindoordeel bevat. Deze uitspraak geeft de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat ten aanzien van Litouwen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Het persoonlijk relaas van eiser biedt ten slotte evenmin indicaties voor het oordeel dat de asielprocedure in Litouwen niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Daarbij wordt van belang geacht dat eiser in een hotel verbleef in Litouwen en dat hij geen verzoek om internationale bescherming in Litouwen heeft ingediend, zodat hij niet uit eigen ervaringen kan putten. De enkele niet onderbouwde stelling ter zitting van eiser dat hij heeft gezien dat asielzoekers in tenten sliepen, is onvoldoende voor de conclusie dat verweerder niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat er in zijn geval bij overdracht sprake is van een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie waar hij buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om in terecht kan komen. De enkele stelling dat dit zo is, zonder concrete onderbouwing over te leggen, is onvoldoende. De Litouwse autoriteiten hebben middels het claimakkoord gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen. Dat het in dit geval om een fictief claimakkoord gaat, doet daar niet aan af. Hierbij is van belang dat de verdragen en Europese richtlijnen ook gelden ten aanzien van de asielprocedure in Litouwen. Indien eiser in Litouwen toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvangvoorzieningen, of anderszins, ligt het op zijn weg hierover bij de Litouwse autoriteiten te klagen. Bij de garantie van de lidstaat om het asielverzoek in behandeling te nemen hoort ook de verantwoordelijkheid dat een eventuele uitzetting niet in strijd met het verbod van réfoulement zal zijn.
Conclusie
6. De beroepsgronden slagen niet. Daarom is het beroep ongegrond.
7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzitter, en mr. M.P. Verloop en mr. J. Schaaf, leden, in aanwezigheid van N.V. Nunes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.