ECLI:NL:RBDHA:2022:11069

ECLI:NL:RBDHA:2022:11069, Rechtbank Den Haag, 07-10-2022, NL22.17386

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-10-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL22.17386
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 6 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 EU:32013L0033

Samenvatting

Dublin Frankrijk. AIDA-rapport. Kortgeding VWN over opvang. Beroep ongegrond. Mondelinge uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[naam], eiser,

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.17386

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath),

en

(gemachtigde: mr. M. Lourier).

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.17387, op 7 oktober 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen W.M. Mamik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser.

2. Met het claimakkoord hebben de Franse autoriteiten toegezegd dat zij de asielaanvraag van eiser zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen, waaronder de Opvangrichtlijn.

3. Daarbij wordt in het geval van Frankrijk tot op heden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en wordt aangenomen dat geen sprake is van zodanige tekortkomingen in het systeem van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dat artikel 4 van het Handvest wordt geschonden. Verweerder heeft hiervoor terecht verwezen naar uitspraken van de Afdeling van 21 april 2021 en 16 juni 2021. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft dit op 9 maart 2022 nog eens bevestigd. Ook de verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank gaan hier tot op heden van uit.

4. Het door eiser ingeroepen landenrapport Frankrijk van AIDA dat dit jaar is verschenen geeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Zoals verweerder terecht heeft overwogen in het bestreden besluit schetst dit rapport geen ander beeld van de opvang van Dublinclaimanten in Frankrijk dan naar voren komt uit de landenrapporten in voorgaande jaren. Dat geldt zowel voor de beperking van de opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten en opvolgende aanvragers, als voor de praktijk in de regio Parijs waar eiser zich zal moeten melden, het aandeel asielzoekers dat in Frankrijk geen opvang geniet en het gegeven dat dit bovengemiddeld vaak alleenstaande mannen en vrouwen zijn. Door te overwegen dat het AIDA-rapport van dit jaar geen wezenlijke nieuwe informatie bevat, heeft verweerder deze door eiser genoemde algemene omstandigheden afdoende beantwoord.

5. Verweerder heeft evenzeer afdoende gereageerd op eisers verklaringen over de omstandigheden van zijn eerder verblijf in Frankrijk door te overwegen dat eiser hierover kon klagen bij de Franse autoriteiten. Verweerder stelt terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de mogelijkheden hiervoor in Frankrijk voldoende heeft benut. Eiser heeft hiervan immers geen documenten en heeft ook niet concreet inzichtelijk gemaakt waar, wanneer en hoe hij heeft geklaagd over het gebrek aan opvang. Van belang is nog dat het onthouden van opvangvoorzieningen schriftelijk wordt meegedeeld en dat men hierover ook kan klagen bij de Franse rechter. In dat verband stelt de rechtbank vast dat de uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak van VluchtelingenWerk Nederland geen bindende betekenis heeft voor de beoordeling van de gang van zaken in andere lidstaten. Eiser heeft met zijn eigen verklaringen daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Frankrijk moet vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest, zoals uitgelegd in de arresten Jawo en Ibrahim. Nu eiser voorts geen bijzondere opvangbehoefte heeft gesteld, wordt hij niet gevolgd in zijn standpunt dat verweerder voor de opvang van eiser in Frankrijk individuele garanties dient te verkrijgen. Verweerder hoeft dan ook niet af te zien van overdracht van eiser aan Frankrijk.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2022 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?