RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2022 in de zaak tussen
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/4628
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1980, van Eritrese nationaliteit, eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
(gemachtigde: J.A.C.M. Prins).
Procesverloop
In het besluit van 3 december 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “verblijf bij echtgenote [referente] (referente)” afgewezen.
In het besluit van 8 juli 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2021 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Referente is ook ter zitting verschenen. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser en referente de feitelijke gezinsband tussen hen niet aannemelijk hebben gemaakt. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat eiser en referente op meerdere, relevante punten inconsistente verklaringen hebben afgelegd over hun relatie. Tijdens de gehoren heeft verweerder aan eiser en referente gevraagd waarover zij de eerste keren met elkaar spraken. Eiser heeft verklaard dat hij op referente afstapte en haar direct vroeg of zij het zag zitten om een relatie te beginnen. Referente heeft verklaard dat zij elkaar vaker hadden gesproken voordat eiser haar vroeg om een relatie. Verweerder heeft kunnen overwegen dat deze verklaringen inconsistent zijn en afbreuk doen aan de gestelde gezinsband. Dat aan eiser en referente niet dezelfde vragen zijn gesteld, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft eiser en referente voldoende in de gelegenheid gesteld om te verklaren over het ontstaan van hun relatie en er zijn open vragen gesteld over het begin van de relatie. Verweerder heeft verder bij zijn beoordeling mogen betrekken dat eiser en referente tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over de datum van de huwelijksvoltrekking. Zo hebben eiser en referente tijdens de gehoren verklaard dat zij op zondag 15 januari 2010 zijn gehuwd in de kerk. Nadat verweerder hen heeft geconfronteerd dat 15 januari 2010 op een vrijdag viel, bleven eiser en referente consistent verklaren dat zij op een zondag zijn gehuwd. Dat eiser en referente in beroep hebben verklaard dat de huwelijksakte op een vrijdag is ondertekend en zij hier niet eerder over hebben verklaard omdat het geen belangrijke gebeurtenis was, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt dat tijdens de gehoren vrijdag als geheel niet wordt genoemd als onderdeel van het huwelijk. Verweerder heeft daarom mogen uitgaan van de verklaringen van eiser en referente tijdens de gehoren en heeft deze tegenstrijdigheid, die op een belangrijk onderdeel van de relatie ziet, kunnen tegenwerpen. Verder heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser en referente tegenstrijdig hebben verklaard over wie bij hen woonden tijdens de wittebroodsweken. Verweerder heeft namelijk aan zowel eiser als referente de vraag gesteld of er andere mensen in het ouderlijk huis woonden. Ten aanzien van de verklaring van eiser dat zijn telefoon kapot was, heeft verweerder mogen stellen dat deze niet rijmt met de verklaring van referente dat zij continu contact met elkaar onderhouden via Whatsapp en videobellen. Verweerder heeft ook kunnen tegenwerpen dat de verklaring van referente dat eiser twee telefoons heeft, onvoldoende en niet overtuigend is. De stelling dat eiser en referente op enkele onderdelen wel consistent hebben verklaard, doet niet af aan het oordeel. Verweerder heeft meer gewicht mogen toekennen aan de tegenstrijdige verklaringen, omdat eiser en referente op essentiële punten tegenstrijdig hebben verklaard.
6. Met betrekking tot de overgelegde Whatsapp-gesprekken heeft verweerder kunnen concluderen dat het vooral gaat om gemiste oproepen en hieruit niet blijkt dat er communicatie is tussen eiser en referente. Ten aanzien van de verklaring van de informant [A] ter zitting overweegt de rechtbank dat deze verklaring niet afkomstig is uit een objectieve bron zodat aan deze verklaring niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan wenst te hechten. Overigens blijkt uit deze verklaring wel dat referent contact heeft met een man, maar niet dat zij met eiser is gehuwd. De verklaring onderbouwt in zoverre het standpunt van eiser en referente niet. Hoorplicht
7. Eiser voert verder aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de hoorplicht, omdat verweerder de aanvraag op een nieuwe grond heeft afgewezen. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat verweerder had moeten horen als hij inconsistenties zag bij de verklaringen van eiser of referente.
8. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS is het horen een essentieel onderdeel in de bezwaarprocedure. Dit betekent dat verweerder slechts van het horen mag afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van het bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Uit artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat verweerder gehouden is om op grond van het bezwaarschrift een volledige heroverweging van het primaire besluit te maken. Dit nieuwe besluit is niet gebonden aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Uit vaste jurisprudentie van de ABRvS volgt verder dat verweerder bij de volledige heroverweging van het primaire besluit een nieuwe juridische weigeringsgrond aan het besluit op bezwaar ten grondslag mag leggen. Nu verweerder in bezwaar eiser en referente middels een aanvullend gehoor in de gelegenheid heeft gesteld te verklaren over hun relatie, heeft verweerder niet in strijd gehandeld met de hoorplicht. De stelling dat verweerder had moeten doorvragen bij inconsistenties, volgt de rechtbank niet, omdat verweerder eiser en referente voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te verklaren over deze inconsistenties. Conclusie
9. Gelet op het voorgaande leiden de beroepsgronden van eiser niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Sari, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.