ECLI:NL:RBDHA:2022:11637

ECLI:NL:RBDHA:2022:11637, Rechtbank Den Haag, 11-03-2022, NL22.1900

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-03-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL22.1900
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2022:1823
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0011823

Samenvatting

Asiel. Er zijn geen nieuwe elementen of bevindingen. Met het paspoort en de ID-kaart heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk afkomstig is uit de plaats waar hij is geboren. Vwd heeft de aanvraag terecht no verklaard. Beroep is ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.1900

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak 22.1901, op 3 maart 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen

Y. Abdiqadir. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995.

2. Eiser heeft eerder op 10 juli 2016 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 7 november 2017 afgewezen. Verweerder heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat eiser zijn herkomst (Jamame, Somalië) niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat besluit staat vast1.

3. Op 17 januari 2018 heeft eiser een tweede aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van

1. Op grond van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 18 december 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4698, en de uitspraak in hoger beroep van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 11 januari 2018, zaaknummers 201710312/1/ V2 en 201710312/2/ V2.

15 november 2018 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan deze aanvraag ten grondslag had gelegd. Ook dit besluit staat vast2.

4. Op 17 augustus 2021 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser voert de volgende stellingen en stukken aan om te onderbouwen dat zich nieuwe elementen of bevindingen voordoen. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn identiteit een identiteitskaart en een paspoort overgelegd. Deze documenten zijn afgegeven door de ambassade van Somalië te Frankrijk op 10 maart 2020.

5. De beoordeling van opvolgende asielaanvragen bestaat uit twee stappen. De eerste stap is het beoordelen van de ontvankelijkheid van de aanvraag. Deze stap bestaat uit twee fasen. In de eerste fase wordt onderzocht of er elementen of bevindingen zijn aangedragen die niet zijn onderzocht in het kader van de vorige asielaanvraag. In de tweede fase wordt onderzocht of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Pas als aan deze vereisten is voldaan, moet verweerder vervolgens overgaan tot de tweede stap. Die houdt in dat de opvolgende asielaanvraag inhoudelijk wordt beoordeeld.3

6. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser met de nieuwe documenten nog altijd niet zijn herkomstgebied aannemelijk heeft gemaakt. Dat op de documenten staat vermeld dat Jamame zijn geboorteplaats is, maakt niet dat eisers zijn herkomst alsnog aannemelijk heeft gemaakt. In het licht van zijn eerder ongeloofwaardig bevonden verklaringen over Jamame, onderbouwen de documenten op zich nog niet afdoende dat eiser daar daadwerkelijk heeft gewoond, is opgegroeid en vandaan komt. Dit betekent dat de identiteitskaart en het paspoort de kans dat eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming niet aanzienlijk groter maken (fase 2). Verweerder heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

7. Als er geen relevante wijziging van het recht is, toetst de rechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of verweerder de aanvraag niet ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.4 Het is aan de vreemdeling om aan zijn aanvraag nieuwe elementen en bevindingen ten grondslag te leggen. Hij dient deze uiterlijk voorafgaand aan het besluit in de bestuurlijke fase aan te voeren.5

8. Eiser voert in beroep aan dat de omstandigheid dat hij is geboren in Jamame ook aannemelijk maakt dat hij afkomstig is uit Jamame. Niet blijkt uit het gehoor dat eiser in de gelegenheid is gesteld zijn herkomst uit Jamame aannemelijk te maken. Bovendien heeft hij

2 Op grond van de uitspraak van deze rechtbank van 10 januari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:464, en de uitspraak in hoger beroep van de ABRvS van 7 februari 2019, zaaknummer 201900595/ 1/ V2. 3 Zie ABRvS 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208.

4 Zie ABRvS 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759.

5 Zie onder andere ABRvS 19 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM 4952 en 12 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:438.

in beroep aanvullende documenten ter onderbouwing van zijn herkomst uit Jamame overgelegd.

9. Primair staat ter beoordeling of verweerder zich, gelet op wat eiser heeft aangevoerd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, zodat de aanvraag niet-ontvankelijk kon worden verklaard. Het is aan eiser om uiterlijk in de bestuurlijke fase te stellen en te onderbouwen waarom sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. Nu eiser de brief van een (gestelde) voormalige buurvrouw uit Jamame en een brief van de rechtbank in Somalië pas in beroep heeft overgelegd, zal de rechtbank deze documenten niet bij de beoordeling betrekken.

10. Over het paspoort en de identiteitskaart die eiser in de huidige procedure heeft overgelegd, overweegt de rechtbank dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat eiser ook in de vorige procedures heeft verklaard over zijn identiteit, nationaliteit, herkomst en de problemen in Somalië. Zoals in 2. is overwogen, staat vast dat eiser zijn herkomstgebied in Somalië niet aannemelijk heeft gemaakt. In het nu overgelegde paspoort en de identiteitskaart is weliswaar vermeld dat de geboorteplaats van eiser Jamame is, maar hiermee heeft eiser nog niet aannemelijk gemaakt dat hij ook daadwerkelijk afkomstig is die plaats. Dat verweerder hem opnieuw had moeten bevragen over zijn herkomstgebied, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft eiser in de eerste procedure veel vragen over zijn herkomstgebied gesteld. Op grond daarvan heeft verweerder geconcludeerd -en staat inmiddels dus vast- dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij afkomstig is uit Jamame. Eiser heeft hierover in deze procedure geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot een andere conclusie hadden moeten leiden.

11. Het paspoort en de identiteitskaart maken niet alsnog aannemelijk dat eiser toch afkomstig is uit Jamame. Om die reden heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze documenten de kans dat eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming niet aanzienlijk groter maken. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.

12. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

11 maart 2022

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.J.A. Schaaf

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?