RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2022 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/7727
(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),
en
(gemachtigde: mr. P. Siemerink).
Procesverloop
In het besluit van 10 maart 2020 (primair besluit) heeft het college de vergoeding van eisers vervoerskosten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) gewijzigd naar € 50,- per vier weken vanaf maart 2021.
In het besluit van 2 november 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A], als waarnemer van zijn gemachtigde. Het college is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
Aan eiser is in het verleden een vervoersvoorziening op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten toegekend in de vorm van een vaste financiële tegemoetkoming voor het gebruik van zijn eigen auto. Per 1 januari 2008 is deze vervoersvoorziening omgezet naar een voorziening op grond van eerst de Wet maatschappelijke ondersteuning en thans de Wmo 2015.
Het college heeft zich bij het primaire besluit op het standpunt gesteld dat de strekking van de Wmo 2015 is dat er geen forfaitaire vervoersvergoeding meer mag worden toegekend, maar dat het moet gaan om een maatwerkvoorziening. Deze wordt verstrekt op pgb-basis. Eiser valt in de categorie hoogste intensiteit en aan hem wordt daarom een persoonsgebonden budget toegekend, trapsgewijs aflopend van € 71,75 per vier weken in juni 2020 naar een bedrag van uiteindelijk € 50,- per vier weken in maart 2021.
Tijdens de bezwaarprocedure heeft het college aanvullend onderzoek verricht naar de vervoersbehoefte van eiser en de vraag of hij met het bedrag van € 50,- per vier weken voldoende wordt gecompenseerd. Het college heeft eiser gevraagd een overzicht te verstrekken van de ritten die hij maakt. Eiser heeft per rit de bestemming, de frequentie en het aantal kilometers daarvan vermeld.
2. Vervolgens heeft het college het primaire besluit in het bestreden besluit gehandhaafd. Het college merkt op dat eiser, gelet op hetgeen in bezwaar naar voren is gekomen, een totale lokale vervoersbehoefte heeft van 9.722,40 kilometer per jaar. Aan eiser is de maximale vergoeding toegekend van € 50,- per vier weken voor maximaal 3.120 kilometer per jaar. Van eisers vervoersbehoefte is 254,80 kilometer nodig voor medische bezoeken. Dit betekent dat eiser van de vergoede 3.120 kilometer nog 2.865,20 kilometer overhoudt voor sociale ritten. Volgens het college wordt eiser met de vergoeding voldoende gecompenseerd.
Wat vindt eiser?
3. Eiser voert aan dat hij met de door het college berekende vervoersbehoefte niet voldoende wordt gecompenseerd. In de situatie van eiser is sprake van essentieel contact met vrienden en familie buiten de regio. Door het wegvallen van deze contacten dreigt eiser in een sociaal isolement te komen. Het college moet per situatie bekijken hoe vaak het bovenregionaal vervoer moet plaatsvinden. Het is niet duidelijk waarom het college de ritten naar onder andere familie en vrienden niet meeneemt in de beoordeling. De Valys is geen voorliggende voorziening op de Wmo 2015. Een aanvraag voor bovenregionaal vervoer kan dus niet op grond hiervan worden afgewezen. Verder wordt de auto van eiser ook buiten de regio onderhouden. Dit is een noodzakelijke vervoersbehoefte die het college ten onrechte niet heeft meegenomen. Het college heeft de vervoersbehoefte van eiser op 9.722,40 kilometer per jaar vastgesteld. De vergoeding van € 50,- per vier weken voor 3.120 kilometer per jaar is dan niet passend en toereikend. Op grond van de Wmo 2015 moet de daadwerkelijke behoefte worden gecompenseerd.
Wat is het juridisch kader?
4. Voor het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.
Wat oordeelt de rechtbank?
5. De rechtbank overweegt allereerst dat het college aan eiser geen persoonsgebonden budget als bedoeld in de artikelen 1.1.1 en 2.3.6 van de Wmo 2015 heeft verstrekt. De aan eiser verstrekte vergoeding wordt per vier weken verstrekt en niet is gebleken dat het college hieraan kwaliteits- en verantwoordingseisen heeft verbonden. Anders dan in het bestreden besluit is vermeld, heeft het college aan eiser een financiële maatwerkvoorziening verstrekt en geen pgb als bedoeld in artikel 2.3.6 van de Wmo 2015. Daarbij weegt mee dat geen kwaliteits- en verantwoordingseisen gelden en dat de Svb niet bij de realisering van de vergoeding is betrokken. Het verstrekken van een financiële maatwerkvoorziening is mogelijk onder de Wmo 2015, onverminderd dat deze een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager.De rechtbank constateert dat dit een fout is in het bestreden besluit. Nu eiser op dit punt geen gronden heeft aangevoerd, volstaat de rechtbank met deze constatering.
6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet in staat is te reizen met het openbaar vervoer. Het geschil spitst zich toe op de vraag of een financiële tegemoetkoming van € 50,- per vier weken een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin eiser in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie. Bij de beoordeling hiervan dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de lokale en de bovenregionale vervoersbehoefte van eiser.
De bovenregionale vervoersbehoefte
7. De rechtbank is van oordeel dat de compensatieplicht van het college niet verder reikt dan de lokale vervoersbehoefte. Het college is op grond van de Wmo 2015 niet gehouden om een vervoersvoorziening te treffen die eiser in staat stelt zich bovenregionaal te verplaatsen. Dit betekent dat aan de aanwezigheid van sociale contacten en het onderhoud van de eigen auto buiten de regio op zichzelf geen beslissende betekenis toekomt. Dit is slechts anders in bijzondere gevallen, zoals bedoeld in artikel 3.4.1, vijfde lid, van de Regeling Maatschappelijke Ondersteuning Den Haag 2018. Van een dergelijk bijzonder geval is niet gebleken. Door eiser is weliswaar gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat hij in een sociaal isolement zal raken indien hij zijn bovenregionale contacten niet door middel van het afleggen van persoonlijke bezoeken kan onderhouden. Bovendien heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de familie en vrienden van eiser niet ook bij hem op bezoek kunnen komen. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij voor zijn bezoeken buiten de regio geen gebruik kan maken van het bovenregionaal vervoer dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht. Dat eiser geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer is daarvoor onvoldoende, nu het vervoer van Valys niet met het openbaar vervoer is gelijk te stellen. Dat eiser zijn auto buiten de regio laat onderhouden, is zijn eigen keuze. Het college is niet gehouden hiervoor compensatie te verlenen.
De lokale vervoersbehoefte
8. De rechtbank stelt voorop dat uit de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 van de Wmo 2015 voortvloeit dat het gemeentebestuur grote beleidsvrijheid heeft bij de uitvoering van de Wmo 2015. Dit betekent dat de beleidskeuzen van de gemeenteraad en – binnen de daarvoor gestelde grenzen – het college voor de bestuursrechter een gegeven zijn, die slechts met terughoudendheid kunnen worden getoetst. Daar waar het om maatwerkvoorzieningen gaat, vindt deze vrijheid in ieder geval een grens in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, dat bepaalt dat een maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Het is aan het college, waar mogelijk rekening houdend met de redelijke wensen van de aanvrager, om te besluiten op welke wijze het de aanvrager ondersteunt en met welk pakket van de op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon afgestemde diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie wordt geleverd. De verplichting om een maatwerkvoorziening te bieden gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had.
9. De rechtbank stelt vast dat het college alle (lokale) vervoersbewegingen zoals eiser deze in bezwaar naar voren heeft gebracht bij zijn besluitvorming heeft betrokken.
10. De rechtbank is van oordeel dat het college met de door hem verstrekte financiële tegemoetkoming een passende bijdrage heeft geleverd aan een situatie waarin eiser, uitgaande van voormelde vervoersbehoefte, in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie. Daartoe is van belang dat uit rechtspraak volgt dat een vergoeding voor een aflegbare afstand in de bandbreedte van ongeveer 1500 tot 2000 kilometer per jaar in beginsel toereikend wordt geacht om de betrokkene in staat te stellen sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Met de door het college aan eiser verstrekte tegemoetkoming kan eiser tot 3.120 kilometer per jaar afleggen. Dit is hoger dan de bandbreedte die uit de rechtspraak volgt. Eiser moet hiermee dan ook in staat worden geacht deel te nemen aan het leven van alledag. Eiser is hiermee niet tekortgedaan, ook al ligt zijn werkelijke (lokale) vervoersbehoefte wellicht hoger.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank concludeert dat met de verstrekte vergoeding van € 50,- per maand een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie van eiser wordt geleverd.
12. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Dit betekent dat de wijziging van de vervoerskostenvergoeding hetzelfde blijft. Eiser krijgt geen vergoeding voor zijn proceskosten en hij krijgt het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2022.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015
1. Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 verleent het college een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie voor zover de cliënt dit naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met behulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
De Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018 (de Verordening 2018)
1. Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Verordening 2018 komt een cliënt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet met gebruikelijke ondersteuning kan verminderen of wegnemen. Op grond van het zesde lid verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening wanneer een maatwerkvoorziening noodzakelijk is.
2. Op grond van artikel 3.6, eerste lid, van de Verordening 2018 komt een cliënt in aanvulling op artikel 3.1 in aanmerking voor een vervoersvoorziening of het aanpassen van een eigen vervoermiddel, wanneer de cliënt niet of onvoldoende gebruik kan maken van een algemene voorziening voor vervoer. Op grond van het vierde lid kan het college nadere regels stellen inzake de toegang, aard, inhoud en omvang van de in dit artikel genoemde maatwerkvoorzieningen.
Regeling Maatschappelijke Ondersteuning Den Haag 2018 (de Regeling 2018)
1. Op grond van artikel 3.4.1, eerste lid, van de Regeling 2018, bepaalt het college de maximum normbedragen voor de kosten van vervoersvoorzieningen in de vorm van een pgb in bijlage II. Op grond van het vierde lid komt voor vergoeding in aanmerking het vervoer in de regio Haaglanden, bestaande uit de gemeenten: Den Haag, Leidschendam-Voorburg en Rijswijk. Op grond van het vijfde lid kan het college in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van het vierde lid.
2. Op grond van bijlage II is de hoogte van het normbedrag voor een pgb vervoer aan de hand van de intensiteit intensief per 4 weken € 46,-.