ECLI:NL:RBDHA:2022:12013

ECLI:NL:RBDHA:2022:12013, Rechtbank Den Haag, 09-11-2022, NL22.15172

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-11-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL22.15172
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2023:2941
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Statushouder Roemenië. Niet aannemelijk dat status is verlopen of dat er risico is op schending van artikel 4 Handvest of 3 EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.15172

V-nummer: [Nummer]

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),

en

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop In het besluit van 2 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2022 in Breda op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [Geboortedatum] en heeft de Jemenitische nationaliteit. Op 2 april 2022 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser in het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Uit Eurodac is namelijk gebleken dat de Roemeense autoriteiten op 4 mei 2017 aan eiser internationale bescherming hebben verleend.

3. Eiser voert aan dat verweerder niet verplicht is om de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens hem dient er een belangenafweging gemaakt te worden. Ook stelt eiser dat het inmiddels vijf jaar geleden is dat hij in Roemenië verbleef. Zijn verblijfsdocument was geldig tot 25 mei 2019. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten te onderzoeken of eiser nog altijd recht heeft op internationale bescherming in Roemenië. Ook is ten onrechte niet onderzocht waarom Frankrijk zijn asielaanvraag wel inhoudelijk heeft behandeld. Eiser stelt dat voor zover er uitgegaan moet worden van internationale bescherming in Roemenië, zijn banden met dat land niet dusdanig zijn dat van hem gevergd kan worden dat hij terugkeert. Hij wijst daarbij onder meer op zijn korte verblijf in Roemenië, de stelselmatige discriminatie waar hij mee te maken had, en het gebrek aan toegang tot adequate medische zorg voor zijn diabetes. Volgens eiser zijn alle door hem aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende meegenomen in de beoordeling door verweerder.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk worden verklaard indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet.

5. De in voornoemd artikel neergelegde discretionaire bevoegdheid wordt nader ingevuld door artikel 3.106a van het Vb. Op grond van artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vb wordt de aanvraag slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, indien sprake is van een zodanige band met het betrokken derde land, dat het voor de vreemdeling redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Bij de beoordeling hiervan worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling komt naar voren dat de omstandigheid dat een vreemdeling is erkend als vluchteling in een lidstaat van de Europese Unie, dan wel een subsidiaire beschermingsstatus heeft, maakt dat sprake is van een zodanige band met het land dat het redelijk is om naar dat land te gaan.

7. Uit Eurodac is gebleken dat de Roemeense autoriteiten op 4 mei 2017 subsidiaire bescherming aan eiser hebben verleend. Verweerder mag in beginsel uitgaan van de juistheid van de informatie uit Eurodac. De stelling van eiser dat verweerder er zonder nader onderzoek niet van uit mag gaan dat hij nog internationale bescherming geniet omdat hij inmiddels geruime tijd weg is uit Roemenië, treft geen doel. Dat wordt als volgt uitgelegd.

8. Uit de door verweerder opgevraagde en op 6 juli 2022 van de Roemeense autoriteiten verkregen informatie blijkt dat eisers verblijfsdocument geldig was tot 25 mei 2019. De geldigheidsduur van dat document is dus verlopen. Het is echter vaste rechtspraak van de Afdeling dat de enkele omstandigheid dat de geldigheid van een verblijfsdocument verloopt, niet al met zich brengt dat de houder daarvan in het desbetreffende land niet langer de aan hem verleende vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus geniet. Het moet er daarom, zonder tegenbewijs, voor worden gehouden dat eiser nog steeds internationale bescherming geniet in Roemenië. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien daar nader onderzoek naar te verrichten. Hij heeft evenmin aanleiding hoeven zien onderzoek te doen naar de behandeling van eisers asielaanvraag in Frankrijk, aangezien dat niets afdoet aan de vaststelling dat eiser een subsidiaire beschermingsstatus geniet in Roemenië.

9. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat Roemenië zijn verdragsverplichtingen in het algemeen zal nakomen jegens statushouders. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Roemenië dit niet doet en dat hij dus een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.

10. Voor de beantwoording van de vraag of eiser hierin is geslaagd, is het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van de Europese Unie van belang. In dit arrest is geoordeeld dat als een statushouder in de lidstaat waar hem een status is verleend geen sociale ondersteuning krijgt of alleen ondersteuning krijgt die duidelijk beperkter is dan die in andere lidstaten, maar hij wel hetzelfde wordt behandeld als de eigen inwoners van die lidstaat, dat op zichzelf niet leidt tot schending van artikel 4 van het Handvest. Dat is pas anders als het gebrek aan sociale ondersteuning tot gevolg heeft dat de statushouder door zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie.

11. Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een vreemdeling in dit kader per definitie in bewijsnood verkeert. De rechtbank volgt hem hierin niet. Uit punt 88 van het arrest Ibrahim volgt immers dat het aan eiser is om gegevens over te leggen om het risico op schending van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM te onderbouwen. Hij dient dan ook met meer te komen dan alleen stellingen over de situatie in Roemenië. Dat heeft eiser nagelaten: hij heeft geen stukken overgelegd om zijn stellingen te onderbouwen. Niet gebleken is dat eiser in Roemenië niet adequaat zou zijn behandeld voor zijn diabetes. Daarbij stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat, nu de autoriteiten van Roemenië subsidiaire bescherming aan eiser hebben verleend, het aan hem is om zijn rechten jegens de Roemeense autoriteiten te effectueren alvorens zich te richten tot de autoriteiten van een ander land. Eiser heeft niet alle mogelijkheden benut en niet gebleken is dat de Roemeense autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen bij het vinden van een oplossing voor zijn problemen.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr.A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B.F.Th. de Roos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?