RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.12129
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
Procesverloop Bij besluit van 24 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.12129, op 9 augustus 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
Voorgeschiedenis
1. Eiser stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
Eiser heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
ingediend. Verweerder heeft die aanvraag bij besluit van 4 augustus 2021 afgewezen, omdat, samengevat, eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn geacht. Het beroep tegen dit besluit is door de rechtbank op 2 december 2021 onder zaaknummer NL21.12741 behandeld en ongegrond verklaard (hierna: de uitspraak). Het hoger beroep tegen die uitspraak heeft niet geleid tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, zodat het besluit in rechte vaststaat.
Bestreden besluit
Op 26 april 2022 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel
voor bepaalde tijd ingediend. Hij heeft daarbij een niet eerder overgelegde identiteitskaart en geboorteakte overgelegd (hierna: documenten). Deze aanvraag ligt ten grondslag aan het bestreden besluit.
In het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard,
omdat volgens verweerder de documenten niet worden aangemerkt als originele of authentieke documenten. Aan zijn conclusie heeft verweerder rapportages van Bureau Documenten (hierna: BD) en de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) ten grondslag gelegd. Daarnaast is eisers relaas over de wijze waarop hij de documenten heeft gekregen niet gevolgd. Daarom kan aan de hand van zijn verklaringen ook niet worden uitgegaan van de echtheid en juistheid van deze documenten.
Volgens verweerder is daarom sprake van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verweerder heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet (hierna: Vw).
Wat vindt eiser?
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij authentieke documenten heeft overgelegd
waarmee hij zijn personalia heeft aangetoond. De documenten heeft hij gekregen via zijn neef in Drachten nadat hij contact heeft weten te leggen met zijn familie. De wijze waarop de documenten zijn verkregen stemt overeen met Iraakse wetgeving, althans met Iraaks gebruik. De rapportages van BD en de KMar zijn niet voldoende inzichtelijk en kunnen de door verweerder getrokken conclusies niet dragen. Geheimhouding van het door BD en de KMar gebruikte vergelijkingsmateriaal is niet gerechtvaardigd, omdat eiser zo niet adequaat kan reageren. Hierdoor dreigt hem een effectief rechtsmiddel te worden onthouden in de zin van artikel 13 van het EVRM. Ten slotte wordt ten onrechte uitgegaan van de conclusies uit de taalanalyse en worden zijn verklaringen over zijn personalia en herkomst niet geloofd.
Wat is het standpunt van verweerder?
3. Volgens verweerder zijn de rapporten van de KMar en BD aan te merken als
deskundigenrapporten, zodat verweerder kan uitgaan van de daarin getrokken conclusies. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de rapporten. Het door BD en de KMar gebruikte referentiemateriaal en onderzoeksmethoden zijn niet gedeeld om te voorkomen dat specifieke informatie wordt gebruikt bij toekomstige vervalsingen. De motivering is daarom voldoende inzichtelijk. Eisers verklaring dat zijn neef de documenten heeft aangevraagd bij de Iraakse autoriteiten wordt niet gevolgd. Uit openbare informatie blijkt namelijk dat de neef in dat geval gemachtigd zou moeten worden door eiser en dat kan alleen met identificerende documenten van de volmachtgever. Die documenten had eiser (nog) niet ten tijde van de aanvraag, zodat eisers verklaring over de verkrijging van de documenten niet wordt gevolgd. Ten slotte kunnen de conclusies uit de taalanalyse en eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet nogmaals ter sprake komen, omdat zij in rechte vaststaan.
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijk kader
4. Een opvolgende aanvraag wordt in behandeling genomen indien de vreemdeling
nieuwe elementen of bevindingen naar voren brengt. Het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ ziet op de elementen of bevindingen die zich hebben voorgedaan na de definitieve beëindiging van de vorige asielprocedure, en ook de elementen of bevindingen die al bestonden vóór de beëindiging van die procedure maar waarop eiser zich niet heeft beroepen.De door eiser ingebrachte documenten kunnen dus als nieuwe elementen of bevindingen worden aangemerkt, mits kan worden uitgegaan van de echtheid en authenticiteit ervan.
Heeft verweerder uit kunnen gaan van de conclusies van BD en de KMar?
De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie de rapportage van BD kan
worden aangemerkt als een deskundigenadvies. Hetzelfde geldt voor het proces-verbaal van de KMar voor wat betreft de beoordeling van authenticiteit van de documenten.
Dat betekent dat verweerder voor de uitvoering van zijn bevoegdheden in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de inhoud van de rapportages.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen contra-expertise heeft overgelegd. Ter
zitting heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank verzocht het onderzoek te schorsen om een door hem op 4 augustus 2022 benaderde contra-expert in te schakelen. Volgens de gemachtigde kon dit niet op een eerder moment, omdat slecht contact kon worden gelegd met eiser. Eiser kon de kosten voor een contra-expert niet meteen betalen. Er bestaat volgens de gemachtigde de mogelijkheid om een verzoek tot vergoeding van die kosten in te dienen bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers.
Verweerder heeft bezwaar gemaakt tegen het verzoek tot schorsing.
De rechtbank heeft ter zitting het verzoek om het onderzoek te schorsen afgewezen. De gestelde afwezigheid van het contact tussen eiser en zijn advocaat komt namelijk voor risico van eiser. Daarnaast zijn de rapporten al meer dan 3 maanden bekend en eerst op zitting is gemeld dat eiser een contra-expertise wil laten opstellen. Verder zijn op grond van wat naar voren is gebracht onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat een schorsing zal leiden tot de inschakeling van een contra-expert.
De rechtbank overweegt dat het bij de beoordeling van eisers beroepsgrond daarom
gaat over de vraag of verweerder zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht ervan heeft vergewist dat het deskundigenadvies naar wijze van totstandkoming, zorgvuldig en, naar inhoud, inzichtelijk en concludent is.
In het deskundigenadvies van BD en de KMar staat vermeld dat, samengevat, de
documenten voor wat betreft de gebruikte productie/druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkomen met het beschikbare vergelijkingsmateriaal en dat er onregelmatigheden zijn aangetroffen met betrekking tot de echtheid, opmaak en afgifte. In het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar de vakbijlage van BD en daarbij een toelichting gegeven van de werkwijze van BD. De gemachtigde van verweerder heeft verder ter zitting uitgelegd dat de echtheidskenmerken van de documenten niet overeenkomen met het vergelijkingsmateriaal dat BD en de KMar gebruikt. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van die conclusies. Dat voor eiser onduidelijk is welk referentiemateriaal is gebruikt, maakt dit niet anders, de vergewisplicht strekt niet zo ver dat in de rapportages dient te worden opgenomen op welke punten de documenten afwijken en welk referentiemateriaal is gebruikt. Verweerder heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de vergewisplicht.
Eisers verklaring over hoe hij de documenten heeft verkregen
De rechtbank stelt vast dat deze grond van beroep deels een herhaling vormt van
wat eiser bij zijn zienswijze naar voren heeft gebracht. Verweerder is hier in het bestreden besluit gemotiveerd op ingegaan. Met eisers enkele stelling, dat de documenten zijn verkregen via zijn neef en de wijze van verkrijging overeenstemt met Iraakse wetgeving althans naar Iraaks gebruik, heeft hij onvoldoende uiteengezet op welke punten de motivering van het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Gelet hierop kan deze grond niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gezien het voorgaande, geen
waarde aan de documenten hoeven hechten.
De resultaten van de taalanalyse en eisers verklaringen over zijn herkomst.
De rechtbank stelt vast dat in de uitspraak reeds is geoordeeld over eisers
verklaringen over zijn herkomst en over de taalanalyse. Gelet op de rechtszekerheid van de bij het geschil betrokken partijen en de efficiënte en finale geschilbeslechting past het in beginsel niet dat beroepsgronden die in de eerdere uitspraak zijn verworpen nadien opnieuw worden beoordeeld. Daarmee zou immers het gezag van de eerdere uitspraak op dit punt worden miskend. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van het eerder gegeven oordeel en zal eisers gronden op dit punt niet verder bespreken.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt
heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef, en onder d van de Vw.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.H. de Boef, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. van Veen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heeft een beroepschrift. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing. U moet dit beroepschrift binnen 1 week indienen na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet de datum hierboven.