RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.23328
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Procesverloop
Bij besluit van 14 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Fawzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 10 mei 2022 een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft deze asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Volgens verweerder zijn de autoriteiten van Bulgarije verantwoordelijk voor de behandeling van eisers asielaanvraag, omdat hij al eerder in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Op 7 juli 2022 hebben de Bulgaarse autoriteiten dit verzoek afgewezen. Verweerder heeft de autoriteiten van Bulgarije verzocht om een heroverweging van het verzoek. Op 3 augustus 2022 hebben de Bulgaarse autoriteiten het verzoek om eiser terug te nemen geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening.
3. Eiser kan zich niet verenigingen met het bestreden besluit. Hij voert hiertoe aan dat ten aanzien van Bulgarije niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat in Bulgarije sprake is van pushbacks. Dit moet worden gezien als een fundamentele systeemfout in de asielprocedure die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. Ter onderbouwing verwijst eiser naar uitspraken van verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank, en naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 oktober. De overdracht van eiser is in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Subsidiair verzoekt eiser om aanhouding in afwachting van de uitspraak in het hoger beroep tegen de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam en zittingsplaats Roermond.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Bulgarije in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet zo is.
5. Eiser is hier niet in geslaagd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2022 volgt dat pushbacks in zijn algemeenheid een fundamentele systeemfout zijn in de asielprocedure in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. Anders echter dan in het geval van Kroatië, waarover de Afdeling heeft geoordeeld in die uitspraak, blijkt uit wat eiser heeft aangevoerd niet van specifieke informatie waaruit zou volgen dat Dublin-terugkeerders te maken krijgen met pushbacks in Bulgarije. In het geval van Bulgarije is dus niet gebleken van concrete aanknopingspunten dat eiser als Dublin-terugkeerder ook het reële risico loopt om door middel van een zogenoemde ‘pushback’ vanuit Bulgarije te worden doorgestuurd naar een derde land zonder dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft kunnen doen en een asielprocedure heeft kunnen doorlopen. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar een eerder door deze zittingplaats gedane uitspraak.
6. Hierbij is verder van belang dat Bulgarije de terugname van eiser heeft geaccepteerd en dat eiser in het kader van de Dublinverordening gereguleerd zal worden overgedragen aan Bulgarije. Die situatie is niet vergelijkbaar met die van vreemdelingen die illegaal de buitengrens van Bulgarije oversteken, ook niet indien deze zich niet meer in het grensgebied maar al verder op het grondgebied van Bulgarije bevinden.
7. De rechtbank volgt hiermee dus niet de door eiser genoemde uitspraken van verschillende andere zittingsplaatsen. Het beroep op de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2022 leidt ook niet tot een ander oordeel. Deze uitspraak omvat immers geen inhoudelijk oordeel over de situatie van Dublin-terugkeerders in Bulgarije. In het verlengde hiervan ziet de rechtbank evenmin aanleiding de uitspraak in hoger beroep van de Afdeling tegen de uitspraken van deze rechtbank van de zittingsplaatsen Amsterdam en Roermond af te wachten.
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen nakomt. Verweerder heeft ook geen aanleiding hoeven zien om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich te trekken.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.