ECLI:NL:RBDHA:2022:15165

ECLI:NL:RBDHA:2022:15165, Rechtbank Den Haag, 07-12-2022, 21/8156

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-12-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/8156
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2024:1286
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0003738 BWBR0005537

Samenvatting

verzoek om naturalisatie afgewezen waartegen beroep. Beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2022 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder)

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/8156

(gemachtigde: mr. N. Vreede),

en

(gemachtigde: J.M. Silde).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2021 heeft verweerder het verzoek van eiseres om naturalisatie tot Nederlander afgewezen.

Bij besluit van 4 november 2021 (bestreden besluit) is het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep op 9 november 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

1. Verweerder heeft het verzoek om naturalisatie bij het besluit van 15 juli 2021 afgewezen omdat eiseres niet beschikte over een verblijfsvergunning. Ten tijde van het besluit was de verlengingsaanvraag van haar verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige afgewezen. Na een gegrond beroep in de vreemdelingrechtelijke procedure is de verblijfsvergunning alsnog verlengd.

2. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Ten tijde van de aanvraag had eiseres nog een verblijfsvergunning en was een verlenging nog niet aan de orde. Daarbij komt dat eiseres al een aantal jaren een verblijfsvergunning heeft en dat die uiteindelijk ook weer is verlengd. Verweerder had moeten wachten op de uitkomst van de vreemdelingrechtelijke procedure omdat de beslistermijn in de naturalisatieprocedure nog niet was verstreken.

Wat vindt de rechtbank in beroep?

3. Uit artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN volgt dat eiseres alleen voor het Nederlanderschap in aanmerking komt als tegen haar verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland geen bedenkingen bestaan. Volgens de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (de Handleiding) kunnen bij het indienen van een naturalisatieverzoek en tijdens de behandeling daarvan omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om verblijfsvergunning in te trekken of niet te verlengen. Als tijdens de procedure al duidelijk is geworden dat de verblijfsvergunning niet wordt verlengd, kunnen er dus bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Uiteindelijk is doorslaggevend of deze bedenkingen op het moment van de beslissing op het naturalisatieverzoek bestaan.

4. De hoogste bestuursrechter heeft bepaald dat verweerder in de naturalisatieprocedure niet verplicht is om het nemen van een beslissing op het bezwaar aan te houden totdat in de vreemdelingrechtelijke procedure de intrekking/niet verlenging van een verblijfsvergunning in rechte vast staat. Dit sluit echter volgens de rechtbank niet uit dat het in sommige gevallen zo onevenredig bezwarend kan zijn om geen gebruik te maken van de mogelijkheid om te wachten dat verweerder dit toch had moeten doen.

5. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de feiten en omstandigheden van deze zaak verweerder er niet van mocht uitgaan dat duidelijk was dat de verblijfvergunning niet zou worden verlengd en er dus bedenkingen zouden bestaan. Daartoe wordt het volgende overwogen.

6. Ten tijde van het naturalisatieverzoek beschikte eiseres nog over een verblijfsvergunning. Deze was al sinds vijf jaar, waarbij vanaf 4 juni 2019 niet tijdelijk, verleend voor haar werk als zelfstandig concertvioliste. Bij de verlengingsaanvraag was niet direct duidelijkheid dat eiseres aan het inkomensvereiste voldeed. Achteraf is gebleken dat een stipendium van de universiteit in Zwitserland ten onrechte niet was meegerekend en is na aanvankelijke weigering de verblijfsvergunning alsnog verlengd.

7. Eiseres heeft verweerder nadrukkelijk verzocht om te wachten met het nemen van een besluit in afwachting van de uitkomst van het beroep in de vreemdelingenrechtelijke procedure. De wettelijke beslistermijn in de naturalisatieprocedure was op dat moment nog niet verstreken. Eiseres heeft toegelicht dat door de coronamaatregelen de inkomsten er minder duidelijk voorlagen. Voor verweerder was er verder geen dwingende reden om eerder te beslissen.

8. Daarbij komt dat naturalisatie voor eiseres van groot belang is. Eiseres werkt al enkele jaren in Nederland als zelfstandig concertvioliste. Zij heeft zicht op een vast contract bij Nederlandse orkesten, die een plek voor haar vrijhouden. Daarvoor is evenwel de Nederlandse nationaliteit vereist. Als eiseres een nieuw naturalisatieverzoek moet indienen moet zij nogmaals leges betalen en (gemiddeld) een jaar wachten op een besluit.

9. Gelet op deze bijzondere feiten en omstandigheden heeft verweerder door het nemen van een beslissing op bezwaar voordat er meer duidelijkheid was over de verblijfsstatus van eiseres de belangen van eiseres onevenredig geschaad. Het beroep van eiseres wordt daarom gegrond verklaard.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep van eiseres is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Omdat het aan verweerder is te beslissen over naturalisatie zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, met inachtneming van dat wat in deze uitspraak is overwogen.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1518 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1).

12. Daarbij ziet de rechtbank ook aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank;

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2022.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J.P. Bosman

Griffier

  • mr. M.H.T. van Bruggen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?