RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2022 in de zaak tussen
[naam eiseres] , eiseres,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/4955
V-nummer: [V-nummer]
gemachtigde: mr. S.C. van Paridon,
en
gemachtigde: mr. S. Franca.
Procesverloop
Bij besluit van 29 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 26 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2022. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1965 en heeft de Belgische nationaliteit. Zij heeft een Nederlandse partner. Eiseres verblijft sinds 4 december 2013 (bij haar partner) in Nederland.
Bij besluit van 31 januari 2018 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad in Nederland. Bij besluit van 18 mei 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 31 januari 2018 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 december 2018, AWB 18/4476, heeft deze rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 18 mei 2018 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verweerder de opdracht gegeven opnieuw op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 31 januari 2018 te beslissen.
Bij besluit van 10 april 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 31 januari 2018 opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 februari 2020, AWB 19/3311, ECLI:NL:RBROT:2020:906, heeft deze rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 10 april 2019 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.
Op 7 april 2021 heeft eiseres haar aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument waaruit duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan blijkt, ingediend. Deze aanvraag is bij het primaire besluit afgewezen.
Bestreden besluit
2. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, houdt – samengevat – het volgende in. Eiseres heeft geen duurzaam verblijfsrecht in Nederland. Zij heeft namelijk niet gedurende vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland gehad. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de vorige procedure van eiseres (zoals weergegeven in overwegingen 1.2. en 1.3.). Evenmin valt eiseres onder een uitzonderingsgrond die duurzaam verblijfsrecht doet ontstaan zonder dat er sprake is van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf.
Juridisch kader
3. Het voor deze uitspraak relevante juridisch kader is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Beoordeling beroepsgronden
4. Voor zover eiseres als beroepsgrond heeft aangevoerd dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft, overweegt de rechtbank als volgt.
Bij het besluit van 31 januari 2018 en bij het besluit van 10 april 2019, waarbij het besluit van 31 januari 2018 is gehandhaafd, heeft verweerder vastgesteld dat eiseres tot op die momenten geen rechtmatig verblijf in Nederland op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft gehad. Het beroep van eiseres tegen het besluit van 10 april 2019 is door de rechtbank ongegrond verklaard (zie overweging 1.3.) en eiseres heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. De besluiten van 31 januari 2018 en van 10 april 2019 stonden ten tijde van het bestreden besluit dan ook in rechte vast. Dit betekent dat de vaststellingen in de besluiten van 31 januari 2018 en 10 april 2019 dat eiseres tot op die momenten geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, voor deze procedure hebben te gelden als vaststaande gegevens.
Gelet hierop en nu er sinds beide besluiten nog geen periode van vijf jaar is verstreken, heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit niet gedurende vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf op grond van artikel 8.12 van het Vb in Nederland heeft gehad (zoals is bepaald in artikel 8.17, eerste lid, van het Vb).
De onder 4. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
5. Over de beroepsgrond van eiseres dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet valt onder een uitzonderingsgrond die duurzaam verblijfsrecht doet ontstaan zonder dat er sprake is van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat de uitzonderingsgronden die duurzaam verblijfsrecht doen ontstaan zonder dat er sprake is van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf, zijn vermeld in artikel 8.17, vierde lid, van het Vb (en niet, zoals in het beroepschrift staat, in artikel 8.12, eerste lid, van het Vb). De gemene deler in deze uitzonderingsgronden is dat de vreemdeling werkzaamheden heeft verricht en dat hij die staakt vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, ten gevolge van vervroegde uittreding of als gevolg van blijvende arbeidsongeschiktheid. Eiseres, op wie in deze zaak – waarin het gaat om een aanvraagsituatie – de bewijslast rust, heeft in de bestuurlijke fase noch in beroep gesteld, laat staan onderbouwd, dat er in haar geval sprake is van staking van haar werkzaamheden om één van de hiervoor genoemde redenen (die alle te maken hebben met het definitief verlaten van de arbeidsmarkt). Gelet hierop heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiseres valt onder een uitzonderingsgrond als hiervoor bedoeld.
De onder 5. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
6. Over de beroepsgrond van eiseres dat verweerder het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond had moeten verklaren en het primaire besluit (gedeeltelijk) had moeten herroepen, omdat in het bestreden besluit een gebrek in het primaire besluit is hersteld, overweegt de rechtbank als volgt.
Voor zover al zou worden aangenomen dat verweerder in het bestreden besluit een gebrek in het primaire besluit heeft hersteld, leidt dit niet tot het oordeel dat verweerder het primaire besluit (gedeeltelijk) had moeten herroepen en het bezwaar daartegen (gedeeltelijk) gegrond had moeten verklaren. In het kader van de volledige heroverweging van een primair besluit in de bezwaarprocedure, zoals bedoeld in artikel 7:11 van de Awb, is het bestuursorgaan namelijk gerechtigd gebreken in de motivering van het primaire besluit te herstellen zonder daaraan de gevolgtrekking te verbinden van herroeping van het primaire besluit en gegrondverklaring van het bezwaar daartegen. Ter vergelijking verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3582, en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4437.
De onder 6. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N.E. Moerkerken, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 20 oktober 2022.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
BIJLAGE
Op grond van artikel 8.17, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft duurzaam verblijfsrecht in Nederland:
a. de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, die gedurende vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad;
b. de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad bij een vreemdeling als bedoeld onder a, waarbij mede wordt betrokken de periode waarin hij voldeed aan de voorwaarden van artikel 8.15, vijfde lid, onder a, b of c.
Op grond van artikel 8.17, vierde lid, van het Vb geldt de periode van vijf jaar, bedoeld in eerste lid, niet voor: