ECLI:NL:RBDHA:2022:16305

ECLI:NL:RBDHA:2022:16305, Rechtbank Den Haag, 26-10-2022, C/09/613232 / FA RK 21-3840

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-10-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer C/09/613232 / FA RK 21-3840
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 25 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0002656

Samenvatting

Wijziging partneralimentatie. Verzoek man tot nihil stelling toegewezen.

Uitspraak

Alimentatie

Beschikking op het op 31 mei 2021 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A.J. van Steensel te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

in de Basisregistratie Personen (BRP) sinds 22 maart 2021 geregistreerd als Registratie Niet Ingezetene en geëmigreerd naar Rusland,

advocaat: mr. J.I. van Leeuwen te Wassenaar.

Procedure

Feiten

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

Op 27 juli 2022 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn fysiek verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de advocaat van de man. De man was via digitale verbinding aanwezig.

Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met wijziging van de beschikking van 9 februari 2016 van deze rechtbank, de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage vast te stellen op een bedrag van € 5.395,- per maand, met ingang van 4 maart 2021 en voor het toekomstige termijnen betreft, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Verder heeft de man nu nog zelfstandig verzocht:

De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, dat hierna – voor

zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Nooit voldaan aan de wettelijke maatstaven

De vrouw wenst wijziging van de partneralimentatie, op basis van overeenstemming met de man met ingang van 4 maart 2021 en stelt dat de beschikking nooit heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven, doordat geen rekening is gehouden met huurinkomsten en een waarnemerstoelage bij de vaststelling van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen. De man betwist de stellingen van de vrouw.

Op grond van het vierde lid van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechtbank heeft in de beschikking van 9 februari 2016 in het kader van de vaststelling van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen het volgende overwogen:

De man werkt sinds 1991 bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en partijen hebben gedurende het huwelijk in verband met de (diplomatieke) werkzaamheden van de man afwisselend in Nederland - volgens de man van 1991 tot en met 1996 en van 2003 tot en met 2007 - en in het buitenland verbleven. Ten tijde van de uitzendingen ontving de man naast zijn salaris vergoedingen en toelagen. De vrouw is van mening dat deze inkomenssupplementen mede bepalend waren voor de welstand ten tijde van het huwelijk, zodat daarmee - ook nu partijen in Nederland verblijven - rekening dient te worden gehouden. De rechtbank gaat hieraan, gelet op de betwisting daarvan door de man, voorbij. Partijen zijn in de zomer van 2013 teruggekeerd naar Nederland en hier uit elkaar gegaan. Sindsdien is de man niet meer uitgezonden en volgens de man ligt een nieuwe uitzending op de korte termijn niet in de lijn der verwachtingen. Niet is gebleken dat de man voornoemde vergoedingen nog heeft ontvangen sinds de terugkeer van partijen naar Nederland. Dit strookt naar het oordeel van de rechtbank met de verklaring van de man dat de vergoedingen en toelagen enerzijds kostendekkend zijn en anderzijds ertoe dienen het Nederlandse welstandsniveau te kunnen voortzetten in het buitenland en dus – zo begrijpt de rechtbank – uitsluitend samenhangen met het verblijf in het buitenland. Dat deze vergoedingen mede bepalend zijn voor de welstand van partijen tijdens het verblijf in Nederland (welstandsverhogend), is de rechtbank niet gebleken. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van het inkomen van de man in 2013 van € 75.253,- bruto per jaar.

Uitgaande van de toepasselijke heffingskortingen, becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man in 2013 op € 3.771,- per maand.”

Huurinkomsten woning

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw haar stelling, dat er geen rekening is gehouden met verhuuropbrengsten bij de berekening van het NBGI van partijen, na gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende nader onderbouwd. De vrouw heeft onvoldoende weerlegd dat de tot in 2013 ontvangen verhuuropbrengsten na aftrek van kosten zijn aangewend om de hypothecaire lening versneld af te lossen Uit de nota van afrekening blijkt dat de woning bij verkoop en levering in 2019 vrij was van hypotheek. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de huuropbrengsten tot medio 2013 niet gerekend konden worden tot het NBGI.

Waarnemerstoelage

Door de rechtbank is bij het berekenen van het NBGI uitgegaan van het inkomen van de man in 2013. Blijkens de door de vrouw overgelegde brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 12 februari 2015 is de man van augustus 2013 tot augustus 2016 gedetacheerd en had hij recht op een waarnemerstoelage, waarbij het brutosalaris van de man is vastgesteld op € 5.746,60 per maand. Naar de rechtbank begrijpt stelt de vrouw dat de man bovenop dit genoemde salaris nog de waarnemerstoelage ontving en dat deze toelage ontbreekt op de salarisspecificaties van de man. De man heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Door de detachering ontving de man een salaris op basis van een hogere schaal. De waarnemerstoeslag is niet apart zichtbaar op die salarisstrook, maar blijkt uit de aanduiding achter de salarisschaal. Naar het oordeel van de rechtbank is dit laatste aannemelijk. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de rechtbank destijds uitgegaan is van een juist inkomen van de man.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de uitspraak nooit heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven.

Wijziging van omstandigheden

Op grond van het eerste lid van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

De vrouw wenst wijziging van de partneralimentatie met ingang van 4 maart 2021 en stelt dat sprake is van een drietal wijzigingen van omstandigheden, te weten stijging van de woonlasten van de vrouw, een hoger inkomen van de man en een daling van de woonlasten van de man.

Op zijn beurt verzoekt de man – naar de rechtbank begrijpt - primair nihilstelling van de partneralimentatie met een vordering tot terugbetaling en subsidiair wijziging van de partneralimentatie op € 771,87 bruto per maand. De man stelt dat de vrouw niet langer behoeftig is, omdat zij door haar inkomsten al jaren kan voorzien in haar eigen levensonderhoud.

Nu beide partijen hebben gesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, acht de rechtbank partijen ontvankelijk in hun verzoeken. De rechtbank zal in het hiernavolgende beoordelen of die gewijzigde omstandigheden gevolgen dienen te hebben voor de alimentatieverplichting van de man.

Behoefte van de vrouw

De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw destijds op basis van de hofnorm berekend op € 1.735,- netto per maand (€ 2.851,- bruto per maand). De behoefte is verminderd met een in de bijstandsnorm verdisconteerde basishuur van € 229,- (2016), zodat een behoefte resteert van € 1.506,- netto per maand (€ 2.385,- bruto per maand). In deze procedure gaat de rechtbank uit van de naar 2021 geïndexeerde behoefte inclusief wooncomponent van (afgerond) € 3.182,- bruto per maand. Het is de rechtbank uit de stukken voldoende gebleken dat de vrouw thans wel woonlasten heeft.

Behoeftigheid van de vrouw

Gelet op dit verstrekkende betoog van de kant van de man zal de rechtbank dit vervolgens behandelen omdat indien dit zou komen vast te staan de overige gewijzigde omstandigheden van de kant van de vrouw niet meer behandeld zullen worden.

De rechtbank stelt vast dat uit de jaaropgave 2021 blijkt dat de vrouw in 2021 een inkomen van € 20.903,- bruto zelf heeft verdiend. Verder heeft de vrouw een bedrag van € 19.668,- bruto aan partneralimentatie van de man ontvangen. Bij elkaar heeft de vrouw in 2021 een inkomen gehad van € 40.571,-, terwijl de behoefte van de vrouw in dat jaar op een bedrag van € 38.184,- vastgesteld kan worden. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de inkomsten van de vrouw de geïndexeerde behoefte van de vrouw in 2021 zijn overstegen. Ook in 2022 heeft de vrouw een eigen inkomen. De rechtbank gaat daarbij voorbij aan de stelling van de vrouw dat het contract van de vrouw niet zal worden verlengd, nu zij, na betwisting, geen stukken heeft overgelegd. Volgens de salarisspecificaties van de vrouw is zij per 19 juli 2021 in dienst bij de gemeente Rotterdam en bedraagt haar bruto inkomen sinds maart 2022 in ieder geval € 3.546,67 per maand. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in ieder geval vanaf 2021 in haar eigen levensonderhoud heeft kunnen voorzien.

Terugbetalingsvordering

De rechtbank gaat er van uit dat, zoals ook naar voren is gebracht, de vrouw de ontvangen partneralimentatie tot heden ten volle heeft besteed aan haar levensonderhoud en dat zij daarnaast onvoldoende vermogen heeft om in staat te zijn een bedrag aan de man terug te betalen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van de man gelegen had om deze kwestie eerder aan de orde te stellen. Door de vrouw is onweersproken gesteld dat hij tot 2018 de aangiften van de vrouw verzorgde en zodoende inzage had in haar verdiensten en na die periode ook nog sollicitatiebrieven van haar heeft bekeken. De man betwist dat laatste ook niet, maar zegt dat hij dacht dat het sollicitaties voor leerwerktrajecten waren. Dat acht de rechtbank echter niet aannemelijk gelet op het feit dat de vrouw heeft aangevoerd dat de man aldus bekend was met de functies waarnaar zij solliciteerde en het daarbij behorende salaris.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man aan de vrouw verschuldigde bijdrage in haar levensonderhoud per heden bepalen op nihil.

Limitering

Nu de rechtbank het primaire verzoek van de man toewijst, komt de rechtbank niet toe aan het meer subsidiaire verzoek van de man tot limitering van de partneralimentatie.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 9 februari 2016 van deze rechtbank - :

- bepaalt met ingang van heden de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie op nihil;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.M. Vink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?