ECLI:NL:RBDHA:2022:16308

ECLI:NL:RBDHA:2022:16308, Rechtbank Den Haag, 07-12-2022, 98900118 CV EXPL 22-1490

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-12-2022
Datum publicatie 04-12-2025
Zaaknummer 98900118 CV EXPL 22-1490
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Leiden
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005289 BWBR0005290 BWBR0005291

Samenvatting

Consumentenkoop tweedehands auto. Non-conformiteit. Ontbinding overeenkomst

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Leiden

Zaaknummer: 9890118 \ CV EXPL 22-1490

Vonnis van 7 december 2022

in de zaak van

[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser 1],

gemachtigde: mr. S. Yadegari,

tegen

ISTRAC B.V., h.o.d.n. Feretti Cars,

statutair gevestigd te Rotterdam en kantoorhoudende te Hillegom,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Istrac B.V.,

gemachtigde: mr. T. Prijn.

1. De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 18 mei 2022 met producties;

- de conclusie van antwoord;

- de akte van eiswijziging, vermeerdering van eis van 22 augustus 2022 met producties;

- de akte van eiswijziging van 28 oktober 2022 met producties.

Op 8 november 2022 heeft een mondelinge behandeling plaats gevonden waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Tussen partijen is op 2 april 2022 een koopovereenkomst tot stand gekomen ten aanzien van een tweede hands auto met het kenteken [kenteken].

Op 15 april 2022 heeft [eiser 1] contact opgenomen met Istrac in verband met een storing in de roetfilter, het niet werken van de bluetoothverbinding en het haperen van de odometer.

Op 16 april 2022 heeft [eiser 1] contact opgenomen met Istrac in verband met het lekken van olie en het branden van een waarschuwingslampje. [eiser 1] heeft Istrac gemeld dat zij de auto op 19 april 2022 voor inspectie wilde hebben.

Op 11 mei 2022 stuurt de gemachtigde van [eiser 1] een ingebrekestelling aan Istrac.

3. Het geschil

[eiser 1] vordert - samengevat - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in ieder geval te verklaren voor recht, van iedere alinea separaat dan wel als geheel, dat:

A. Istrac tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst met [eiser 1];

B. uit de (proces)houding van Istrac voor [eiser 1] in voldoende mate is gebleken dat een (nadere) aanmaning c.q. ingebrekestelling nutteloos zou zijn geweest;

C. [eiser 1] gerechtigd is tot vergoeding door Istrac van de wegenbelasting;

D. [eiser 1] gerechtigd is tot vergoeding door Istrac van de verzekeringspremie;

E. de koopovereenkomst c.q. bewijs van de koopovereenkomst, overgelegd als productie 1, te ontbinden per datum dat uit de proceshouding van Istrac gebleken is dat aanmaning onnuttig zou zijn;

F. Istrac de auto heeft verworven van een partij die handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf;

G. Istrac recht heeft op schadevergoeding van de Voorschakel indien en voor zover [eiser 1] een of meer van zijn rechten uit hoofde van art. 7:24 BW ten laste van Istrac ter zake de tekortkoming heeft uitgeoefend;

H. Istrac op zijn Voorschakel recht heeft op vergoeding van zijn kosten van verweer en dat deze kosten in ieder geval in redelijkheid zijn gemaakt door Istrac ter verweer in deze procedure;

I. Istrac op basis van bovengenoemde onderdelen een vorderingsrecht heeft op de Voorschakel.

En ongeacht de verzochte verklaringen voor recht, vordert [eiser 1] -samengevat- voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair (ontbinding)

J. Istrac te veroordelen tot terugbetaling van de koopsom ad € 6.495,- en Istrac te veroordelen tot vergoeding van de aanvullende schadeposten:

1. kosten ingebrekestelling en dagvaarding € 295,-

2. kosten aangetekende post € 4,10

3. de buitengerechtelijke kosten € 846,70;

K. Istrac te veroordelen om op straffe van een dwangsom van € 500 per (onvoltooide deel van een) dag dat Istrac de auto niet ophaalt na het vonnis en/of geen deugdelijk vrijwaringsbewijs verschaft aan [eiser 1], een en ander tot een maximum van € 20.000,-

subsidiair (herstel door derde)

L. te bepalen dat [eiser 1] gerechtigd is de auto door een derde te laten herstellen en dat de kosten daarvan op Istrac verhaald mogen worden;

M. indien en voor zover de kosten niet ten tijde van het vonnis bekend zijn althans nog niet begroot zijn, de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure en Istrac te veroordelen tot vergoeding van het alsdan vastgestelde bedrag;

tertiair (nakoming door Istrac)

N. nakoming van de overeenkomst tenzij de auto niet is hersteld binnen twee weken na ingebrekestelling.

Primair, subsidiair en tertiair

[eiser 1] vordert -samengevat- voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Istrac te veroordelen tot betaling van:

de nevenvorderingen, met vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten:

 kosten ingebrekestelling en dagvaarding € 295,-

 kosten aangetekende post € 4,10

 de buitengerechtelijke kosten € 846,70;

O. de wettelijke rente over de hoofdsom en de nevenvorderingen, berekend vanaf de datum van aankoopdatum;

P. de (na)kosten van dit geding, vermeerderd met de wettelijke rente.

Istrac B.V. voert verweer. Istrac B.V. verzoekt samengevat:

primair: de primair, subsidiaire en tertiaire/meer subsidiaire vorderingen ongegrond te verklaren dan wel geheel af te wijzen;

subsidiair: bij toewijzing rekening te houden met alle omstandigheden van het geval alsmede met de waardevermindering en het gebruik van de auto door [eiser 1] nader vast te stellen conform autotelex dan wel op te maken bij staat dan vaste te stellen in redelijkheid en billijkheid;

primair en subsidiair: Istrac te veroordelen in de (na)kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ter zitting heeft [eiser 1] aangegeven de vorderingen zoals bij dagvaarding ingesteld onder F tot en met I in te trekken. Hierop hoeft dus niet meer te worden beslist.

Allereerst is geschil is of de auto gebreken vertoont en zo ja, of deze gebreken leiden tot de conclusie dat er sprake is van non-conformiteit. [eiser 1] heeft gesteld dat dit het geval is en heeft de volgende gebreken genoemd:

Geen levering van olie aan de motor;

Onvoldoende motoroliedruk;

Roetfilter;

Motormanagement lampje knippert aan;

Kilometerteller knippert aan en uit;

Bluetooth werkt niet.

Istrac heeft betwist dat er sprake is van de gestelde gebreken en heeft aangevoerd dat, voor zover er al sprake is van gebreken, deze niet leiden tot non-conformiteit.

Niet in geschil is dat het hier gaat om een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het komt aan op de vraag of de auto aan de overeenkomst beantwoordde als bedoeld in artikel 7:17 BW.

Als uitgangspunt geldt dat een gekochte zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, als die zaak niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Welke eigenschappen de koper op grond van de overeenkomst mag verwachten, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen.

Voor situaties waarin een (tweedehands) auto wordt gekocht om ermee op de openbare weg te rijden, mag dit normale gebruik zo uitgelegd worden dat verwacht mag worden dat gebruik van de auto geen gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert als gevolg van een eraan klevend gebrek dat niet op eenvoudige wijze kan worden ontdekt of hersteld. Of de zaak aan de overeenkomst beantwoordt, moet worden beoordeeld naar het moment van aflevering.

De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een gebrek aan de auto, waardoor de auto niet beantwoordt aan de overeenkomst. De kantonrechter betrekt daarbij het volgende. De auto gaf op 15 april 2022 onder andere de melding ‘check engine’. In verband hiermee en in verband met andere gebreken (onder andere de bluetoothverbinding) is [eiser 1] bij Istrac langs geweest met de auto. Istrac heeft de auto toen onderzocht. Istrac heeft toen geen gebrekkige olietoevoer of anderszins een oorzaak voor de melding ‘check engine’ gevonden. Istrac heeft in deze melding wel aanleiding gezien om tegen [eiser 1] te zeggen dat de auto nader onderzocht zou moeten worden. [eiser 1] zou de auto een andere keer voor dat nadere onderzoek moeten langsbrengen. Als onweersproken staat vast dat [eiser 1] vervolgens een paar dagen later weer een veiligheidsmelding kreeg. Het betrof eerst weer de melding ‘check engine’, maar daarna kwam een ‘rode’ melding met als tekst: ‘Insuff. Engine oil pressure stop & turn off engine’. Deze melding geeft aan de bestuurder de aanwijzing om niet verder te rijden met de auto. Het advies bij een dergelijk rood signaal is om direct te stoppen als men rijdt en om de wegenwacht te bellen. Ongeacht de vraag of de auto daadwerkelijk nog startte of nog kon rijden, kon deze melding voor [eiser 1] in deze situatie gelijk worden gesteld met de situatie dat de auto niet kon rijden zonder gevaar voor de verkeersveiligheid. Deze eigenschap - het niet zonder gevaar kunnen rijden met de auto - stond derhalve aan het normale gebruik van de auto in de weg. Dat er nader onderzoek en herstel moest plaatsvinden wordt overigens ook niet door Istrac betwist. De vraag of achter het brandende rode lampje daadwerkelijk een gevaar zettend technisch mankement schuil ging, maakt naar het oordeel van de kantonrechter in dit verband niet uit. Ook indien er geen gevaar zettend technisch mankement aan het brandende lampje ten grondslag lag, was er immers sprake van een auto met de melding dat de auto niet zonder gevaar kon worden gereden. De auto was dus non-conform.

In artikel 7:18 lid 2 BW (oud) is voor de consumentenkoop – voor zover hier van belang – bepaald dat wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, als de afwijking van het overeengekomene zich binnen zes maanden na aflevering openbaart. Dat is hier het geval, immers de melding ontstond al een week na aankoop. Daaruit moet door de kantonrechter worden afgeleid dat de zaak al bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Door Istrac is niets aangevoerd om dit bewijsvermoeden te ontkrachten.

Vordering E; ontbinding

Vervolgens is de vraag of [eiser 1] op grond hiervan de koop mag ontbinden. Ingevolge artikel 7:22 lid 1 BW heeft de koper, als het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt, bij een consumentenkoop de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden, tenzij de afwijking van het overeengekomene, gezien haar geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Ingevolge artikel 7:22 lid 2 BW ontstaat de in artikel 7:22 lid 1 BW bedoelde bevoegdheid pas wanneer herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet gevergd kunnen worden, dan wel de verkoper tekort is geschoten in een verplichting als bedoeld in artikel 7:21 lid 3 BW.

Nu vast staat dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordde, staat vast dat [eiser 1] in beginsel de koopovereenkomst mag ontbinden. Niet gezegd kan worden dat de afwijking de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De bevoegdheid tot ontbinding bestaat wel pas als herstel onmogelijk is of Istrac daartoe niet binnen redelijke termijn is overgegaan.

Istrac heeft in dat verband aangevoerd dat zij aan [eiser 1] heeft aangeboden tot herstel over te gaan en daartoe nog steeds bereid is. Daarom mag [eiser 1] (nog) niet overgaan tot ontbinding, aldus Istrac. De kantonrechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

[eiser 1] heeft Istrac verzocht om de auto te repareren en de auto daartoe bij [eiser 1] op te halen. Istrac heeft daarop aan [eiser 1] laten weten de auto niet op te zullen halen en dat [eiser 1] de auto zelf moest brengen. Nu sprake was van een auto waarmee – gelet op de rode waarschuwingslamp – in verband met de verkeersveiligheid niet mocht worden gereden en waarvan dus ook niet van [eiser 1] mocht worden verwacht dat hij de auto zou rijden, lag het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van Istrac om de auto op te (laten) halen bij [eiser 1]. Daaraan doet niet af dat Istrac, zoals zij heeft betoogd, zelf geen oplegger bezit waarmee de auto kon worden vervoerd. Van Istrac mocht, gelet op het gebrek waardoor de auto niet mocht rijden, worden verwacht dat zij zou regelen dat de auto naar haar werd vervoerd voor herstel. Daarbij betrekt de kantonrechter dat Istrac zelf ter zitting heeft aangegeven de auto tegen betaling van een gering bedrag (circa € 75,00) door een derde bij haar zou kunnen kon worden gebracht. Overigens stelt Istrac zelf dat met de auto gereden kon worden en dat zij het risico wel had willen aanvaarden als [eiser 1] er mee zou hebben gereden en er iets mis zou zijn gaan; volgens die redenering had het dan ook tot de mogelijkheden van Istrac behoord om iemand langs te sturen bij [eiser 1], die de auto dan naar Istrac zou rijden. Dit kon naar het oordeel van de kantonrechter niet van [eiser 1] worden verlangd. Nu Istrac heeft geweigerd de auto bij [eiser 1] op te halen voor herstel is zij tekortgeschoten in de op haar rustende verplichting op grond van artikel 7:21 lid 3 BW om tot herstel over te gaan. [eiser 1] is daarom op grond van artikel 7:22 BW bevoegd om de overeenkomst te ontbinden. De vordering sub E die strekt tot ontbinding van de overeenkomst zal dan ook worden toegewezen. Gevorderd wordt te ontbinden per datum dat uit de proceshouding van Istrac gebleken is dat de aanmaning onnuttig zou zijn. Dit is een onbepaalde vordering op dit punt. De kantonrechter zal daarom de koopovereenkomst ontbinden per datum van dit vonnis.

Vordering J; terugbetaling koopsom

Als gevolg van de ontbinding zijn over en weer ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan. Dit betekent dat [eiser 1] recht heeft op teruggave van de koopprijs ten bedrage van € 6.495,00. Istrac heeft recht op teruggave van de auto. De vordering tot veroordeling van Istrac tot betaling van € 6.495,00 zal dan ook worden toegewezen. Istrac heeft nog als verweer aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met waardevermindering van de auto. Voor zover Istrac hiermee een beroep bedoelt te doen op artikel 6:272 BW en bedoelt te stellen dat [eiser 1] met teruggave van de auto niet – althans niet zonder een bijkomende vergoeding – voldoet aan de verbintenis tot ongedaan making, volgt de kantonrechter Istrac niet. De auto is op 9 april 2022 door [eiser 1] opgehaald en op 15 april 2022 was er al sprake van voormeld gebrek. Van een voor rekening van [eiser 1] komende waardevermindering aan de auto is dan ook niet gebleken.

Vordering J.1., 2. en 3.; bijkomende kosten en de nevenvorderingen

Ten aanzien van de bijkomende kosten c.q. nevenvorderingen overweegt de kantonrechter als volgt. De kosten van de ingebrekestelling en van de aangetekende post zijn aan te merken als redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder c BW en vallen onder de buitengerechtelijke kosten. [eiser 1] vordert verder in de dagvaarding nog een bedrag van € 846,70 aan buitengerechtelijke kosten. Istrac heeft betwist dat er buitengerechtelijk incassokosten zijn gemaakt. [eiser 1] heeft de buitengerechtelijke incassokosten niet nader onderbouwd. Voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten ziet de kantonrechter daarom geen aanleiding. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat uit de producties volgt dat er slechts één brief is gestuurd door de gemachtigde van [eiser 1] waarin een termijn van twee weken is gegeven voor nakoming. [eiser 1] heeft deze termijn van twee weken vervolgens niet afgewacht en heeft reeds op 18 november 2022 een dagvaarding laten uitbrengen.

De gevorderde kosten voor het opstellen van de dagvaarding vallen onder de proceskosten welke volgens het gebruikelijke tarief dienen te worden begroot.

Vordering K; dwangsom

Gelet op wat hiervoor is overwogen, ligt het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van Istrac om de auto bij [eiser 1] op te halen. [eiser 1] vordert een dwangsom te verbinden aan het nakomen van deze verplichting door Istrac. Istrac heeft zich hiertegen verweerd.

De kantonrechter ziet, nu pas bij dit vonnis de koop wordt ontbonden en er nu dus pas ongedaanmakingsverbintenissen zijn ontstaan, geen aanleiding om nu al te veronderstellen dat Istrac zich niet aan de ongedaanmakingsverbintenis zal houden. De kantonrechter ziet dus geen aanleiding om een dwangsom te verbinden aan het niet ophalen van de auto door Istrac.

Vordering O; wettelijke rente

De vordering tot vergoeding van wettelijke rente over de hoofdsom zal worden afgewezen. De ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan pas met dit vonnis, zodat er nog geen sprake is van verzuim.

Vermeerdering van eis; kosten

[eiser 1] heeft € 2.435,15 aan vergoeding van kosten gevorderd.

Deels betreft dit volgens [eiser 1] kosten aan betaalde motorrijtuigenbelasting, verzekeringspremies en parkeerkosten voor de auto. [eiser 1] stelt dat nu de auto niet aan de overeenkomst beantwoord, de kosten voor rekening van Istrac komen. [eiser 1] heeft immers maar zeer kort ongestoord gebruik kunnen maken van de auto en is dus niet door de genoten voordelen voor die kosten schadeloos gesteld, aldus [eiser 1]. Blijkens het door [eiser 1] overgelegde overzicht betreft dit deel van de kosten € 1.328,12. Bij akte van 28 oktober 2022 heeft [eiser 1] zijn eis vermeerderd met een bedrag van € 517,30 voor de maanden augustus, september en oktober 2022 voor wegenbelasting en verzekeringspremies.

Istrac heeft de stelling dat [eiser 1] deze kosten voor de auto heeft betaald, niet betwist. Het bepaalde in artikel 6:275 BW gelezen in samenhang met artikel 3:120 lid 2 BW biedt grondslag vergoeding van deze kosten. [eiser 1] heeft deze kosten ten behoeve van de auto gemaakt. De vordering zal dan ook voor zover het betreft de gemaakte kosten aan motorrijtuigenbelasting, verzekeringspremies en parkeerkosten worden toegewezen. Het betreft voormeld bedrag van € 1.328,12 en een bedrag aan verzekeringspremies van de maanden augustus, september en oktober 2022 ad € 231,30. De wegenbelasting van de maanden augustus tot en met oktober 2022 heeft [eiser 1] al opgevoerd in zijn overzicht van de akte van 22 augustus 2022, de kantonrechter zal deze daarom niet dubbel toewijzen. De wettelijke rente over de kosten aan betaalde motorrijtuigenbelasting, verzekeringspremies en parkeerkosten voor de auto zullen worden afgewezen, gelet op wat in 4.18 is overwogen

Het overige deel van de vordering betreft volgens [eiser 1] vervoerskosten. De vervoerskosten op het door [eiser 1] overgelegde overzicht betreffen de kosten voor Felix huurscooter, facturen OV Chipkaart, taxikosten en facturen Uber. Omdat de auto niet reed, stelt [eiser 1] dat hij genoodzaakt was om gebruik te maken van alternatieve reismogelijkheden om op zijn bestemming te komen.

De kantonrechter wijst dit deel van de vordering af. [eiser 1] heeft namelijk niet gesteld dat dan wel waarom de gevorderde vervoerskosten ten behoeve van de auto zijn gemaakt dan wel dat deze kosten schade betreffen, geleden als gevolg van de tekortkoming dan wel als gevolg van de ontbinding. Gekeken moet worden naar welke situatie er zou zijn geweest als [eiser 1] de auto niet zou hebben gekocht. De koopsom zou niet zijn betaald (deze krijgt hij terug) en de kosten ten behoeve van de auto zouden niet zijn betaald (deze krijgt hij terug). Niet gezegd kan worden dat [eiser 1] in deze situatie geen vervoerskosten zou hebben gemaakt. Met andere woorden is niet duidelijk dat deze vervoerskosten als schade ten gevolge van de tekortkoming of ontbinding kunnen worden aangemerkt.

Vorderingen sub A, B, C, D

Niet gesteld of gebleken is welk belang [eiser 1] heeft bij de gevorderde verklaringen voor recht onder A, B, C en D, naast de ontbinding die in dit vonnis wordt uitgesproken en naast de veroordeling tot vergoeding van kosten als hiervoor bedoeld. Deze vorderingen worden dan ook afgewezen.

Nu de primaire vordering tot ontbinding wordt toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan de subsidiair en tertiair ingestelde vorderingen L,M en N.

Nu beide partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter

ontbindt de tussen partijen gesloten koopovereenkomst die is overgelegd in productie 1 van de dagvaarding,

veroordeelt Istrac B.V. tot betaling van € 8.054,42,

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Westerhuis-Evers en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2022.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?