ECLI:NL:RBDHA:2022:16309

ECLI:NL:RBDHA:2022:16309, Rechtbank Den Haag, 13-04-2022, NL21.14018

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-04-2022
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer NL21.14018
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asielaanvraag / littekens ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling / gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.14018

geboren op [geboortedatum] ,

van Sierra Leoonse nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. H. Meijerink)

en

(gemachtigde: mr. M.J. Hofstra).

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van het navolgende.

Eiser heeft op 18 augustus 2020 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hieraan heeft eiser - samengevat - ten grondslag gelegd dat hij samen met zijn broer in het voormalige familiehuis van hun moeder in Rotingfunck verbleef op het moment dat hij werd aangevallen door een groep mannen en meegenomen om zich, wat later bleek, gedwongen aan te sluiten bij het Poro-genootschap. Eiser werd door zijn ontvoerders mishandeld en er werden initiatierituelen op hem uitgevoerd. Na ongeveer een maand kreeg hij te horen dat hij zou worden overgebracht naar een grotere genootschap, Naboe genaamd, om daar zijn inlijvingsceremonie te voltooien. Eiser werd verteld dat dit een nog gevaarlijker en gewelddadiger genootschap is. Voordat hij naar het Naboe-genootschap zou worden gebracht, mocht hij nog een bezoek aan zijn broer brengen. Toen eiser zijn broer vertelde wat er gebeurd was, heeft deze hem in contact gebracht met een man die eiser heeft meegenomen vanuit Sierra Leone naar Europa.

Op 29 juni 2021 heeft verweerder het voornemen uitgebracht om de asielaanvraag van eiser af te wijzen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eveneens heeft verweerder het voornemen geuit om eiser geen reguliere vergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 juncto artikel 3.6a, eerste lid, of 3.6ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) te verlenen, noch uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

Verweerder heeft vastgesteld dat het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen bevat:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

Aanval door en gedwongen lidmaatschap bij het Poro-genootschap.

Eiser wordt door verweerder gevolgd in de door hem gestelde nationaliteit en herkomst. De verklaringen over zijn identiteit worden ongeloofwaardig geacht omdat eiser wisselend heeft verklaard over zijn geboortedatum. Bij de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente heeft eiser een geboortedatum opgegeven die afwijkt van de datum die hij tijdens de procedure heeft opgegeven en de geboortedatum zoals die blijkt uit de door hem overgelegde geboorteakte. De geboorteakte kan niet dienen als ondersteunend bewijs voor zijn identiteit omdat het document geen foto van eiser bevat, het een kopie betreft en uit onderzoek door Bureau Documenten is gebleken dat hij met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven.

2. Eiser wordt evenmin gevolgd in zijn verklaringen over de aanval door en het gedwongen lidmaatschap van het Poro-genootschap. Hieraan heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Ten eerste heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de leeftijd van zijn broer en over de verblijfplaats van zijn ouders en of hij hen wel of niet kent.

3. Voorts heeft eiser vaag en wisselend verklaard over de situatie waarin hij zich bevond op het moment dat de gestelde aanval plaatsvond. Ook het gegeven dat de mannen alleen eiser hebben meegenomen en zijn broer ongemoeid hebben gelaten, terwijl deze relatief makkelijk te vinden was, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Eiser heeft vaag en wisselend verklaard over de aanval zelf, bijvoorbeeld over het aantal mannen door wie hij werd aangevallen. Voorts staat eisers verklaring, dat er niemand op zijn geschreeuw afkwam omdat algemeen bekend is dat je bij de genootschappen uit de buurt moet blijven, haaks op zijn opmerking dat hij voor die tijd nooit van zulke genootschappen had gehoord. Voor het feit dat ook zijn broer niet reageert op zijn geschreeuw heeft eiser geen bevredigende verklaring. Ook over de gebeurtenissen die vervolgens in het bos zouden hebben plaatsgevonden, wat betreft de inlijving in het genootschap, verklaart eiser vaag en wisselend. Voorts ziet verweerder niet in dat de jongens, voordat zij naar het Naboe-genootschap zouden worden gebracht, eerst teruggebracht zouden worden naar het dorp. Het zou voor de hand liggen dat zij, nu zij weten wat hen te wachten staat, zouden vluchten. Dat er sprake zou zijn van Black Magic wat hen zou tegenhouden, is niet logisch want daarmee zou eiser ook buiten Sierra Leone te vinden zijn geweest. Bovendien is het niet logisch dat hij nog een week in het dorp verbleven heeft zonder dat van het Poro- of Naboe-genootschap iets vernomen werd en hem ook niet verteld was wanneer ze moesten vertrekken naar het Naboe-genootschap.

4. Op 27 juli 2021 heeft eiser een zienswijze op het voornemen ingediend. Hierop heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op hetgeen namens hem in dat verband is aangevoerd, wordt hierna - voor zover van belang - ingegaan.

6. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat hij nooit heeft verklaard te zijn geboren op 16 april 2004. Dat verweerder deze informatie ambtshalve heeft verkregen wil niet zeggen dat die juist is. Aangezien eiser consequent heeft aangegeven geboren te zijn op 16 juni 2004 lijkt hier sprake te zijn van een misverstand. Voorts betwist eiser verweerders standpunt ten aanzien van zijn geboorteakte, namelijk dat deze akte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Verweerder heeft een vergewisplicht nu niet duidelijk is of Bureau Documenten rekening heeft gehouden met hetgeen in het ambtsbericht staat en wat door de ambassade is aangegeven in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 mei 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:9206).

De rechtbank overweegt als volgt. Indien er, zoals eiser stelt, bij de inschrijving in de BRP inderdaad een vergissing is gemaakt, ligt het op de weg van eiser om deze gegevens te laten wijzigen. Nu eiser daartoe geen pogingen heeft ondernomen, heeft verweerder hem mogen tegenwerpen dat hij verschillende geboortedata heeft gehanteerd en hieraan de consequentie mogen verbinden dat eiser vooralsnog niet kan worden gevolgd in de door hem opgegeven identiteit. Daarbij heeft de door eiser overgelegde geboorteakte verweerder niet tot een ander standpunt hoeven te brengen, nu deze niet is voorzien van een pasfoto en het bovendien een kopie betreft. Reeds hierom kan niet die waarde worden toegekend aan dit document die eiser eraan gehecht wenst te zien. Nu verweerder voorts heeft beoordeeld of eiser in verband met zijn nationaliteit, herkomst en asielrelaas in aanmerking dient te komen voor een asielvergunning, ziet de rechtbank geen aanleiding om vanwege een eventuele schending van de vergewisplicht het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank zal hetgeen eiser in dit kader verder heeft aangevoerd onbesproken laten.

7. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder er in het bestreden besluit ten onrechte aan voorbijgaat dat in de zienswijze is gesteld dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid onvoldoende rekening is gehouden met de jonge leeftijd en het zeer lage opleidingsniveau van eiser.

De rechtbank is van oordeel dat nu uitsluitend is gesteld dat verweerder bij de beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met de jonge leeftijd en het zeer lage opleidingsniveau van eiser, maar op geen enkele wijze is aangegeven op welke wijze daarmee geen rekening is gehouden of tot welke verkeerde conclusies dit aanleiding heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen. De toelichting ter zitting dat eiser vanwege zijn jeugdige leeftijd en de stress waarmee hij kampte niet goed heeft kunnen verklaren over details van de door hem geschetste gebeurtenissen, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank verwijst in dit verband naar de overwegingen van verweerder op pagina 4 van het bestreden besluit; de rechtbank kan verweerder volgen in de overweging dat van eiser – nu hierover niets anders concreet blijkt – minstens verwacht mag worden dat hij over basale zaken concreet kan verklaren. Dat eiser daarin niet is geslaagd, blijkt uit de overwegingen hieronder weergegeven.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanval door en gedwongen lidmaatschap van het Poro-genootschap niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht gelet op de verklaringen die eiser daarover heeft afgelegd. In dat kader heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen dat hij vaag heeft verklaard over zijn verblijf in het voormalige familiehuis van zijn moeder. Zo heeft eiser eerst verklaard dat er een man en vrouw met twee kleine kinderen woonden om even later aan te geven dat er mannen en vrouwen woonden. Verweerder heeft ook niet aannemelijk hoeven achten dat hij de namen niet kent van de mensen die in het huis woonden nu hij daar een week verbleven heeft en met deze mensen de afspraak heeft gemaakt dat hij en zijn broer hen op het land zouden helpen (en dat ook daadwerkelijk hebben gedaan) in ruil waarvoor deze mensen de terugreis naar Freetown zouden betalen. Voorts kan verweerder gevolgd worden in het standpunt dat eiser vrij summier en vaag heeft verklaard over zijn ontvoering en het daarop volgende verblijf bij het Poro-genootschap. Zo heeft het verweerder mogen bevreemden dat eiser zo weinig weet te vertellen over zijn verblijf in het bos. Zo weet hij niet hoe de andere ontvoerde jongens heten en hoeveel het er waren terwijl hij ruim een maand met hen in het kamp verbleven heeft en kan hij zijn ontvoerders niet omschrijven. Dat de situatie stressvol moet zijn geweest, maakt niet dat van eiser niet enige kennis hierover verwacht mag worden. Daarbij is het onduidelijk gebleven waarom er op het moment van de ontvoering niemand op zijn geschreeuw afkwam. Dat de dorpsbewoners het genootschap kenden en uit angst in hun huizen bleven, moge misschien zo zijn maar dat verklaart niet waarom zijn oudere broer, die zich, zoals blijkt uit eisers verklaringen, juist heel zorgzaam ten opzichte van zijn jongere broer opstelde, eiser zomaar liet meevoeren. Voorts kan verweerder gevolgd worden in het standpunt dat niet aannemelijk is gemaakt dat het eiser en zijn lotgenoten door het Poro-genootschap werd toegestaan om terug te gaan naar hun families alvorens zij naar het Naboe-genootschap zouden worden gebracht voor verdere initiatie en dat eiser vervolgens nog een week zonder problemen bij zijn broer heeft verbleven alvorens hij het land ontvluchtte. Niet valt in te zien dat het Poro-genootschap erop zou vertrouwen dat Black Magic de ontvoerden ervan zou weerhouden om te vluchten of te vertellen wat hen overkomen was, zeker niet nu het eiser niet heeft afgeschrikt om zijn broer wel van Poro-genootschap te vertellen en vervolgens het land te verlaten. Ten slotte heeft verweerder het eiser ook mogen aanrekenen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn ouders nu hij tijdens het aanmeldgehoor heeft aangegeven enkele maanden geleden voor het laatst contact met hen te hebben gehad om vervolgens tijdens het eerste gehoor te verklaren dat hij zijn ouders helemaal niet kent en ook nooit anders beweerd te hebben. Het had dan voor de hand gelegen dat eiser dit achteraf zou corrigeren in de correcties en aanvullingen. Eisers beroepsgrond slaagt dus ook in zoverre niet. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder thans onvoldoende heeft uiteengezet waarom hij bij deze geloofwaardigheidsbeoordeling niet de door eiser genoemde – kennelijk specifieke – littekens heeft betrokken. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.

9. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte geheel voorbijgegaan is aan zijn littekens. Hiervan is melding gemaakt zowel tijdens het gehoor als in het advies van MediFirst. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om nader onderzoek te laten doen naar die littekens omdat deze volgens verweerder (in het verweerschrift) niet noodzakelijkerwijs hoeven te zijn ontstaan in de door eiser geschetste context van de gedwongen opname in het Poro-genootschap. De rechtbank meent dat die motivering thans niet volstaat, nu eiser ook in de gronden stelt dat het niet zomaar willekeurige littekens betreffen, maar dat aan de vorm en waar en hoe de littekens zijn aangebracht kan worden gezien dat er sprake is geweest van een lidmaatschap van een genootschap. Niet blijkt uit het procesdossier of de toelichting ter zitting dat door verweerder is vastgesteld hoe de littekens zijn vormgegeven; de gehoren geven hier in ieder geval geen blijk van. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zorgvuldiger moet onderzoeken en beter moet motiveren waarom in dit geval forensisch medisch onderzoek naar de littekens niet relevant is te achten, overeenkomstig het door verweerders in paragraaf C1/4.4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 opgenomen beleid. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat op dit punt sprake is van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank draagt verweerder daarom op om opnieuw op de aanvraag te beslissen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Mocht verweerder bij nader inzien een forensisch medisch onderzoek relevant achten, dan dient verweerder de uitslag hiervan vanzelfsprekend mee te wegen in de (integrale) geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers asielrelaas.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Willems - Keekstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.C.J. Lindeijer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L. Willems - Keekstra

Griffier

  • mr. P.C.J. Lindeijer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?