ECLI:NL:RBDHA:2022:16311

ECLI:NL:RBDHA:2022:16311

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-04-2022
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer NL21.20214
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

beroep tegen afwijzing van een (opvolgende) aanvraag om verlening van een reguliere verblijfsvergunning met verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ gegrond verklaard in verband met een motiveringsgebrek, maar rechtsgevolgen in stand gelaten voor wat betreft de afwijzing van de aanvraag

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.20214

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. J. Hofstede),

en

(gemachtigde: mr. D. Kuiper).

Procesverloop

In het besluit van 7 september 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de (opvolgende) aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb.

Het daartegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 30 november 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 28 maart 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij besluit van 3 december 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 18 maart 2020 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 april 2020 (Awb 20/2795) van deze rechtbank en zittingsplaats is het door eiser tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Op 17 augustus 2021 heeft eiser de huidige aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ ingediend.

2. Blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting beperkt het geschil zich tot de vraag of verweerder de aanvraag op goede gronden – onder verwijzing naar het besluit van 3 december 2019 en het besluit van 18 maart 2020 – primair heeft kunnen afwijzen, omdat wat eiser ter onderbouwing van de huidige aanvraag heeft overgelegd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden en subsidiair omdat eiser met de door hem overgelegde documenten alsnog niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor verlening van de gevraagde vergunning.

3. Eiser heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd betwist. Op wat hij in dat verband naar voren heeft gebracht zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.

4. Als het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op datstandpunt heeft gesteld kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

Eiser heeft in de vorige procedure in beroep de volgende documenten ingebracht:

- het jaarverslag 2019 van ’[bedrijf],

- de rondrekening BTW 2019 van [bedrijf],

- bankafschriften van de zakelijke rekening,

- de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekering 2019.

De rechtbank stelt vast dat deze documenten door deze rechtbank en zittingsplaats buiten beschouwing zijn gelaten bij de beoordeling van eisers beroep in zijn eerste procedure.

In de huidige procedure heeft eiser de volgende documenten ingebracht:

- een kopie van zijn paspoort;

- een ondertekende antecedentenverklaring;

- een bijlage Verklaring omtrent inkomen zelfstandig ondernemer;

- een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering 2019;

- een aangifte inkomstenbelasting 2019;

- het jaarverslag 2019 van '[bedrijf];

- een overzicht van de inkomstenbelasting over meerdere jaren;

- de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2020;

- het jaarverslag 2020 van '[bedrijf];

- de VIA-gegevens (IB 2020) van [eiser].

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze documenten weliswaar nieuw zijn, maar niet als rechtens relevant novum kunnen worden aangemerkt omdat de documenten niet recent zijn en dateren uit of zien op de jaren 2019 en 2020.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. Niet in geschil is dat de hiervoor bedoelde documenten dateren van ná de vorige procedure en niet eerder konden worden ingebracht, dan wel in de vorige procedure niet zijn beoordeeld. De documenten zijndaarom als nieuw aan te merken. Verweerder diende daarom te beoordelen of op grond van de inhoud van deze documenten tot een ander oordeel zou zijn gekomen. Die beoordeling ontbreekt in het bestreden besluit . De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft afgewezen. Het beroep is reeds daarom gegrond en het bestreden besluit zalworden vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet echter aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven voor wat betreft de afwijzing van de onderhavige aanvraag. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Eiser beoogt verblijf voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat met de door eiser in deze procedure overgelegde documenten niet is aangetoond dat eiser aan alle voorwaarden voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning voldoet, omdat eiser ook in deze procedure geen recent ondernemingsplan, inclusief alle onderbouwende stukken, zoals vermeld in paragraaf B6/4.5 van de Vc en Bijlage 8aa, behorende bij artikel 3.20a, vierde lid, van het VV heeft overgelegd. Verweerder heeft in zich in het bestreden besluit op goede gronden op het standpunt gesteld dat door het ontbreken van dit ondernemingsplan niet kan worden beoordeeld of een wezenlijk belang wordt gediend met eisers werkzaamheden als zelfstandige. De rechtbank neemt hierbij voorts in aanmerking dat verondersteld mag worden dat eiser met deze voorwaarde bekend is, nu in de eerdere procedure – zoals verweerder in het bestreden besluit terecht heeft overwogen – door verweerder uiteen is gezet welke documenten noodzakelijk worden geacht voor het beoordelen van een aanvraag met verblijfdoel ‘arbeid als zelfstandige’.

Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser vorenbedoelde overwegingen uit het bestreden besluit in beroep onbestreden heeft gelaten.

Ten aanzien van eisers standpunt dat hem op grond van het bepaalde in artikel 8 EVRM dan wel met toepassing van artikel 4:84 van de Awb verblijf zou moeten worden toegestaan, is de rechtbank van oordeel dat de in dit verband door verweerder in het bestreden besluit gegeven motivering voldoende dragend is voor het oordeel dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn standpunt. Daarbij stelt de rechtbank vast dat eiser vorenbedoelde overweging eveneens in beroep onbestreden heeft gelaten.

Voor zover eiser heeft gesteld dat verweerder ambtshalve had moeten toetsen of hij op grond van het Besluit 1/80 voor verblijf in aanmerking zou moeten komen, volgt de rechtbank eiser hierin niet. Eiser heeft zijn stelling immers op geen enkele wijze onderbouwd. Het enkele feit dat hij de Turkse nationaliteit heeft is in dit verband onvoldoende.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder de aanvraag van eiser terecht afgewezen.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.518,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, rechter, in aanwezigheid van M.J. Kambeel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.F.M.J. Bouwman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?