[eiser], wonende te [woonplaats], eiser(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, verweerder,
en
de Staat der Nederlanden, de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 14 november 2019 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm).
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij rechtbank Zeeland-West-Brabant. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaak op 8 januari 2021 ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar deze rechtbank.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft op 16 februari 2022 plaatsgevonden door middel van een skype-verbinding.
Namens eiser heeft de gemachtigde daaraan deelgenomen, bijgestaan door twee kantoorgenoten. Namens verweerder hebben mr. [A] en mr. [B] deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 541;
- draagt de Minister op het betaalde griffierecht van € 174 aan eiser te betalen.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 21 januari 2019 aangifte Bpm gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes AMG C43. Eiser heeft een bedrag van € 3.423 aan Bpm voldaan. Eiser is in de aangifte Bpm uitgegaan van een taxatierapport van JB Taxaties B.V.
2. De naheffingsaanslag Bpm bedraagt € 6.562. Waardevermindering in verband met ex-schade heeft verweerder daarbij niet in aanmerking genomen.
3. In geschil is of de naheffingsaanslag naar een juist bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of terecht geen waardevermindering ten gevolge van ex-schade in aanmerking is genomen. Niet langer in geschil is dat de auto ten tijde van het doen van aangifte geen schade had.
4. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast dat sprake is van blijvende waardevermindering ten gevolge van ex-schade op eiser rust. Eiser heeft ter onderbouwing van het schadeverleden gewezen op het taxatierapport van JB Taxaties B.V. Voor de omvang van de door hem bepleite waardevermindering wijst eiser op richtlijnen van TMV en NIVRE. Volgens eiser bedraagt de waardevermindering ten gevolge van ex-schade op grond van de TMV-richtlijn € 4.000 en op grond van de NIVRE-richtlijn € 2.800.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat sprake is van waardevermindering in verband met ex-schade. Dat de auto een schadeverleden heeft wordt met het taxatierapport onderbouwd, maar daaruit volgt niet dat de ex-schade van dien aard is dat hieraan –ook na schadeherstel– een blijvende waardevermindering moet worden verbonden.
6. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
7. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005. Behoudens in geval van bijzondere omstandigheden wordt een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase.
8. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 5 augustus 2019, de uitspraak op bezwaar is van 14 november 2019 en deze uitspraak van de rechtbank is gedaan op 2 maart 2022. Derhalve is tussen het bezwaar en de rechtbankuitspraak een periode van 2 jaar en bijna 7 maanden verstreken. Nu het beroepschrift en verweerschrift kort voor de eerste lockdown wegens corona zijn ingediend en in het kader van maatregelen tegen het coronavirus in 2020 gedurende een aantal maanden bij de rechtbank geen zittingen hebben kunnen plaatsvinden, doet zich een bijzondere omstandigheid voor die verlenging van de redelijke termijn met vier maanden rechtvaardigt. Aan eiser komt daarom een schadevergoeding toe van € 500 (€ 500 per overschrijding van (een gedeelte van) een half jaar). De termijnoverschrijding is geheel toe te rekenen aan de beroepsfase.
9. De rechtbank ziet wegens de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 541 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 541 en een wegingsfactor van 0,5). De rechtbank is uitgegaan van een wegingsfactor 0,5 omdat de kostenvergoeding alleen wordt toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.