RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2022 in de zaak tussen
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/6075
[eiseres] in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige], te Kabul (Afghanistan), eiseres
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
(gemachtigden: I.S. IJserinkhuijsen en mr. L.H.T. Geuzendam).
Procesverloop
Bij brief van 12 augustus 2021 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat aan de minderjarige [minderjarige] geen verklaring omtrent het bezit van Nederlanderschap kan worden verstrekt.
Bij besluit van 16 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2022.
Partijen werden vertegenwoordigd door haar gemachtigden.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
1. Eiseres heeft ten behoeve van haar minderjarige dochter [minderjarige] een verklaring omtrent het bezit van Nederlanderschap aangevraagd bij verweerder. Eiseres heeft de verklaring nodig omdat zij en haar dochter in Afghanistan verblijven en op de evacuatielijst willen komen. Verweerder heeft geweigerd de verklaring omtrent het bezit van Nederlanderschap te verstrekken, omdat niet kan worden beoordeeld of de minderjarige de Nederlandse nationaliteit heeft. Eiseres heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens hem geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens verweerder heeft de gevraagde verklaring namelijk geen rechtsgevolgen. Eiseres is het hier niet mee eens.
Wat vindt eiseres in beroep?
2. Eiseres stelt dat de verklaring omtrent het bezit van Nederlanderschap een belangrijk document is dat deuren opent. Met het bewijs van Nederlanderschap kan zij samen met haar dochter Nederland inreizen, omdat dan aan haar een faciliterend visum moet worden verleend op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) en het Zambrano-arrest. Het gaat daarom om een besluit in de zin van de Awb. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat verweerder als bevoegd bestuursorgaan een oordeel geeft over het Nederlanderschap van de minderjarige. Het is de enige openstaande mogelijkheid tot het verkrijgen van een bewijs van Nederlanderschap, aangezien verweerder heeft meegedeeld dat bij de ambassade in Kabul geen paspoortaanvraag kan worden ingediend. Verder voert eiseres aan dat verweerder haar kind op geen enkele wijze faciliteert in het aantonen van haar bezit van het Unieburgerschap en op die wijze probeert de effectieve werking van 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) te ondermijnen. Ook stelt eiseres dat zij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord.
Wat zijn de regels?
3. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Om aan deze definitie te voldoen moet sprake zijn van een beoogd rechtsgevolg. Een besluit brengt wijziging in de rechten en plichten van een of meer betrokkenen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat de afgifte van de verklaring omtrent het Nederlanderschap niets wijzigt in de rechten en plichten van de aanvrager en dus geen rechtsgevolgen heeft. Door afgifte van de verklaring verkrijgt de aanvrager immers niet het Nederlanderschap. De enkele omstandigheid dat de verklaring wordt afgegeven nadat is onderzocht of iemand het Nederlanderschap bezit maakt niet dat de verklaring rechtsgevolgen heeft. Ook verschilt de situatie van de minderjarige met de situatie dat - voor zover in dat geval wel sprake is van rechtsgevolg - een verklaring wordt aangevraagd om ervoor te zorgen dat het Nederlanderschap niet wordt verloren als bedoeld in artikel 15 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
5. De rechtbank ziet ook geen grond voor het oordeel dat de reactie op een verzoek om een verklaring omtrent het Nederlanderschap op grond van het Unierecht moet worden aangemerkt als een besluit omdat anders de rechten van het Unieburgerschap niet effectief kunnen worden uitgeoefend. In de eerste plaats zijn er andere procedures waarmee het Nederlanderschap - en daarmee het Unieburgerschap- van de minderjarige kan worden vastgesteld. Eiseres kan voor de minderjarige in Pakistan een paspoort of identiteitsdocument aanvragen of zij kan bij de rechtbank in Den Haag een verzoek indienen tot het vaststellen van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 van de RWN. Hoewel er obstakels zijn, is niet komen vast te staan dat eiseres deze procedures niet zou kunnen volgen. In de tweede plaats is de verklaring omtrent het Nederlanderschap niet nodig voor de beoordeelding of eiseres een recht ontleent aan artikel 20 van het VWEU in verband met het Zambrano-arrest. Deze beoordeling kan gemaakt worden op grond van dezelfde documenten die eiseres voor de verkrijging van de verklaring omtrent het Nederlanderschap van haar dochter nodig heeft.
6. Verweerder heeft gelet op wat hiervoor is overwogen terecht gesteld dat geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de hoorplicht is geschonden. Aangezien er geen bezwaar kon worden gemaakt tegen de afwijzing van de verklaring en verweerder niet toekwam aan een inhoudelijke beoordeling van de weigering, valt niet in te zien wat een hoorzitting in bezwaar had kunnen toevoegen aan de procedure.
Conclusie
7. Verweerder heeft het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.