RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.3653
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
(gemachtigde: mr. M.M.E. Disselkamp).
Procesverloop
Bij besluit van 3 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2022 op zitting behandeld in Breda. Eiser heeft aan de zitting deelgenomen via een videoverbinding, evenals zijn gemachtigde en de tolk, I.G.S. Ringelé. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1998 en de Gambiaanse nationaliteit te bezitten.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:
En als lichte gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:
3. Eiser betwist uitsluitend de lichte grond 4e. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige zware gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet heeft betwist. Deze laatste gronden zijn feitelijk juist en in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Nu reeds deze gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen, kan deze beroepsgrond geen doel treffen en hoeft deze niet besproken te worden.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat niet duidelijk is waarom er geen lichter middel is ingezet. Hij stelt suïcidaal te zijn en hier had onderzoek naar gedaan moeten worden. Verder begrijpt hij niet waarom wordt tegengeworpen dat hij niet heeft gehandeld naar zijn suïcide-uitingen.
5. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder alle door eiser aangevoerde omstandigheden, ook de medische omstandigheden, kenbaar heeft meegewogen. Zo heeft verweerder in het bestreden besluit opgenomen dat eiser zich bij zijn aanmeldgehoor van 17 mei 2021 en op 12 augustus 2021 bij een gesprek met zijn advocaat eenmaal suïcidaal heeft uitgelaten. Verder is opgenomen dat hij bovenmatig drugs en alcohol gebruikt, een wond heeft aan zijn rechterarm, rode ogen heeft en heeft verklaard dat als hij hoest, er zwart en bloed uit zijn mond komt. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Indien deze zorg onvoldoende is, bestaat de mogelijkheid om eiser naar een regulier ziekenhuis, een PPC of een gesloten gezondheidsinstelling over te plaatsen. Verweerder heeft daarbij ook opgemerkt dat indien een gevaar van suïcide dreigt, er in de inrichting een EBZ-afdeling aanwezig is, waar eisers veiligheid voldoende is gewaarborgd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende gemotiveerd waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden de maatregel niet onevenredig bezwarend maken. Niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is. Anders dan eiser ter zitting heeft aangevoerd, heeft verweerder bij de beoordeling van de mogelijkheid van een lichter middel kunnen tegenwerpen dat eiser sinds november 2021 staat geregistreerd als overlastgevende vreemdeling in de Top-X lijst. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen en zicht op uitzetting
6. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat zicht op uitzetting ontbreekt. Op 21 december 2021 is een laissez-passer-aanvraag verzonden naar de Gambiaanse autoriteiten. Tot op heden is geen laissez-passer afgegeven en blijft het onduidelijk wanneer eiser wordt uitgezet.
7. Verweerder heeft uitgelegd dat regelmatig gerappelleerd wordt bij de Gambiaanse autoriteiten. Zo is op 30 december 2021, 20 januari 2022 en 10 februari 2022 nog gerappelleerd. Verder hebben op 8 maart 2022 en 14 maart 2022 vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit niet worden afgeleid dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verder is niet gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten geen laissez-passers meer afgeven, waardoor eiser niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.