ECLI:NL:RBDHA:2022:3080

ECLI:NL:RBDHA:2022:3080, Rechtbank Den Haag, 30-03-2022, SGR 21/230

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-03-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer SGR 21/230
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2023:1374
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0006368

Samenvatting

Verzoek om toevoeging. Procedure waarvoor toevoeging is aangevraagd heeft een familierechtelijke achtergrond. Advocaat van eiser staat niet met de juiste specialisatie bij verweerder ingeschreven. Toevoeging terecht geweigerd. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/230

en

(gemachtigde: mr. M. Rutten).

Procesverloop

In het besluit van 14 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen.

In het besluit van 7 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2022 via een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser heeft verweerder om een toevoeging verzocht in verband met een procedure tegen Jeugdbescherming West om inzage van het dossier van zijn dochter.

Verweerder heeft met het bestreden besluit de afwijzing van de toevoeging gehandhaafd. Aan de procedure is de zaakcode P043 toegekend omdat het geschil verband houdt met de ondertoezichtstelling van eisers dochter. Voor zaken over ondertoezichtstellingen moet de rechtsbijstandverlener met een aanvullende specialisatie bij verweerder staan ingeschreven. Eisers advocaat staat niet met die specialisatie ingeschreven. Verweerder heeft toegelicht dat het opvragen van het dossier en de kort geding procedure die tegen Jeugdbescherming gevoerd zal worden onlosmakelijk verbonden is en onderdeel uitmaakt van het geschil van eiser met Jeugdbescherming over de ondertoezichtstelling. De oorsprong van het geschil ligt in de ondertoezichtstelling en alle deelgeschillen vloeien daaruit voort. Het standpunt van verweerder is dat indien de oorsprong van het rechtsbelang gelegen is in en voortvloeit uit de beëindiging van een affectieve relatie een zaakcode op het gebied van het personen en familierecht van toepassing is. Verweerder heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 augustus 2018, ELCI:NL:RVS:2018:2766.

Wat vinden partijen in beroep?

2. Eiser voert aan dat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder bij toepassing van de Wrb uit moet gaan van het rechtsbelang en niet de rechtsvraag. Het rechtsbelang in de kort geding procedure is het opvragen van dossierstukken, die van belang zijn voor het vaststellen van aansprakelijkheid. Het geschil ziet dan ook niet personen- en familierecht, maar op het privaat- of verbintenissenrecht. De familierechtelijke achtergrond is irrelevant voor het bepalen van het rechtsbelang. Expertise in het personen- en familierecht van de advocaat is ook niet vereist. Verweerder had beter onderzoek naar de zaak moeten doen en contact op moeten nemen met eisers advocaat.

3. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. Op grond van artikel 1 van de Wrb wordt onder rechtsbijstand verstaan: ‘de rechtskundige bijstand ten behoeve van het rechtsbelang van de rechtzoekende’. Ook volgens rechtspraak van de hoogste bestuursrechter moet bij toepassing van de Wrb niet van de rechtsvraag worden uitgegaan, maar van het rechtsbelang waarop de aanvraag om toevoeging betrekking heeft. Dit betekent dat ook naar de oorsprong van het geschil moet worden gekeken.

De rechtbank stelt vast dat het geschil waarvoor de toevoeging is aangevraagd een dossierinzage van eisers eigen dossier op grond van het privacyreglement Jeugdzorg betreft. De dochter van eiser is bij beschikking van 20 december 2013 van de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam tot oktober 2014 onder toezicht gesteld. Eiser heeft daarover meerdere procedures gevoerd tegen Jeugdzorg. Daarmee is er sprake van een familierechtelijke achtergrond. Hoewel het gaat om de inzage in eisers eigen dossier van Jeugdzorg, valt niet uit te sluiten dat er in die procedure aspecten naar voren kunnen komen die zien op de ondertoezichtstelling. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder.

De zaakcode P043 geldt voor zaken die betrekking hebben op ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van kinderen. Voor dat type zaken moet de rechtsbijstandverlener met de specialisatie personen- en familierecht of civiel jeugdrechtspecialist bij verweerder zijn ingeschreven. Als de rechtsbijstandverlener niet als zodanig is ingeschreven, wordt de aanvraag om toevoeging afgewezen. De inschrijvingsvoorwaarden zijn algemeen verbindende voorschriften. Verweerder is daaraan gehouden. Niet in geschil is dat de advocaat op wiens naam de toevoeging is aangevraagd, niet bij de Raad is ingeschreven met de vereiste specialisatie. De toevoeging is dan ook terecht geweigerd.

Het betoog dat verweerder in een andere (familierechtelijke) zaak van eiser wel een toevoeging heeft verleend, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft in het verweerschrift en op zitting toegelicht dat er in die zaak door een fout van verweerder een toevoeging is verleend met een onjuiste zaakcode. Het gelijkheidsbeginsel strekt echter niet zover dat verweerder is gehouden om een gemaakte fout te herhalen.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2022.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.P. Kleijn

Griffier

  • mr. F.E.J. Valk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?