3. ECLI:EU:C:2021:506.
4 Zie Staatsblad 2006, 215, p. 47.
5 Zie o.m. de arresten van 3 oktober 2013, ECLI:EU:C:2013:631, r.o. 19, en van 12 februari 2015,
ECLI:EU:C:2015:81, r.o. 31.
6 Zie naar analogie het arrest van 27 november 2012, ECLI:EU:C:2012:756, r.o. 135.
7 Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven, COM(2003) 199, 2001/0111 (COD) 15 april 2003, amendement 82.
8 Gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 5 december 2003 met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden zich op het grondgebied van de lidstaten vrij te verplaatsen en er vrij te verblijven, publicatieblad nr. C 054 E van 2 maart 2004, p. 0012 – 0032.
effectief te beëindigen. De Nederlandse wetgever heeft de termijn van een maand in de nationale regelgeving ‘vertaald’ naar vier weken. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen wezenlijk verschil tussen een (kalender?)maand en een termijn van vier weken. Binnen beide termijnen moet een vreemdelingen namelijk in staat worden geacht om diens daadwerkelijke en effectieve vertrek uit Nederland te kunnen regelen. De termijn van vier weken van artikel 62, eerste lid, van de Vw doet dan ook geen afbreuk aan het doel en nuttig effect dat artikel 30, derde lid, van Richtlijn 2004/38 beoogt te garanderen. Van een onjuiste implementatie van artikel 30, derde lid, van Richtlijn 2004/38 in artikel 62, eerste lid, van de Vw is dan ook geen sprake. De beroepsgrond faalt.
11. De rechtbank is zich ervan bewust dat zij met dit oordeel afwijkt van twee eerdere uitspraken die deze zittingsplaats over dit vraagstuk heeft gedaan. Ten opzichte van de uitspraak van 30 november 20219 komt de rechtbank tot een ander oordeel. Ten opzichte van de uitspraak van 23 december 202110 komt de rechtbank weliswaar tot hetzelfde oordeel, maar hanteert zij daarvoor nu een andere motivering.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
9. ECLI:NL:RBMNE:2021:6120.
10 ECLI:NL:RBMNE:2021:6225.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 april 2022
Documentcode: [documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.