ECLI:NL:RBDHA:2022:7852

ECLI:NL:RBDHA:2022:7852, Rechtbank Den Haag, 21-07-2022, NL22.3398

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-07-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL22.3398
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2022:2795
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Asiel. Inwilliging. Procesbelang. Voorbehoud. Implementatie herziene Procedurerichtlijn. Unierechtelijke beginselen gelijkwaardigheid, doeltreffendheid, daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel. Beroep niet-ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL22.3398

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en

(gemachtigde: mr. S. Jalouqa).

Procesverloop Bij besluit van 31 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, geldig van 25 april 2019 tot 25 april 2024.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2022 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Afghaanse nationaliteit.

2. Op 23 december 2015 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. Bij besluit van 9 januari 2017 heeft verweerder die aanvraag afgewezen. Het daartegen door eiser ingestelde beroep is op 3 februari 2017 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Afdeling op 27 februari 2017.

3. Op 20 juli 2018 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 22 oktober 2018 heeft verweerder die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van relevante nieuwe elementen of bevindingen. Het daartegen door eiser ingestelde beroep is op 23 november 2018 ongegrond verklaard. Het tegen die uitspraak door eiser ingestelde hoger beroep is op 8 januari 2019 door de Afdeling niet-ontvankelijk verklaard.

4. Op 25 april 2019 heeft eiser een tweede opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 5 november 2020 heeft verweerder die aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Het daartegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van 20 januari 2021 gegrond verklaard, waarbij verweerder is opgedragen om een nieuw besluit te nemen. Daarop is bij het bestreden besluit aan eiser alsnog een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, geldig van 25 april 2019 tot 25 april 2024, op grond van subsidiaire bescherming zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (b-status).

5. In beroep komt eiser op tegen de motivering op grond waarvan hem geen vluchtelingenstatus zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (a-status) is toegekend. Volgens eiser houdt verweerder hem in onzekerheid doordat in het bestreden besluit is opgenomen dat zijn vergunning zal worden herbeoordeeld als de landeninformatie daartoe aanleiding geeft. Daarnaast stelt eiser dat op grond van artikel 46 van de Procedurerichtlijn geen toets aan de a-status mag worden onthouden op de grond dat al een b-status is verleend.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Uit het bestreden besluit kan niet worden opgemaakt dat verweerder een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de verlening aan eiser van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, geldig van 25 april 2019 tot 25 april 2024. Dit heeft verweerder ter zitting ook bevestigd. De enkele mededeling dat na afloop van het besluit- en vertrekmoratorium ten aanzien van Afghanistan een herbeoordeling kan plaatsvinden als de dan beschikbare landeninformatie daartoe aanleiding geeft, maakt dat niet anders. Daartoe is redengevend dat verweerder te allen tijde bevoegd is om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te trekken vanwege veranderde omstandigheden in het land van herkomst. Hoewel voor de rechtbank daarom niet duidelijk is waarom verweerder deze mededeling in het bestreden besluit heeft opgenomen, verschilt de situatie van eiser - en de door hem ervaren onzekerheid over een mogelijke herbeoordeling in de toekomst - dan ook niet van andere houders van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit betekent dat eiser met deze beroepsgrond niet in een gunstiger positie kan geraken. Daarom bestaat er in zoverre geen procesbelang bij het beroep.

7. Bij de invoering van de Vreemdelingenwet 2000 heeft de wetgever er uitdrukkelijk voor gekozen om de gevolgen van verlening van een a-status en een b-status gelijk te stellen, met het doel om doorprocederen te voorkomen. Dit betekent dat in Nederland aan een a-status niet meer rechten zijn verbonden dan aan een b-status. De houder van een b-status heeft sindsdien volgens vaste jurisprudentie geen procesbelang bij het doorprocederen voor een a-status omdat hij daarmee niet in een gunstiger positie kan geraken.

8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat vanwege de invoering van de herziene Procedurerichtlijn per 20 juli 2015 hierover anders moet worden gedacht. In artikel 46, tweede lid, tweede volzin, van deze richtlijn is immers juist neergelegd dat de lidstaten een beroep tegen het niet verlenen van een vluchtelingenstatus als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen als daarbij onvoldoende belang bestaat. Doordat de a-status en de b-status in Nederland waar het gaat om de materiële gevolgen gelijk zijn gesteld, doet die situatie zich hier voor.

9. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat artikel 46, tweede lid, tweede volzin, van de herziene Procedurerichtlijn niet kan worden toegepast omdat er geen implementatie in de Nederlandse wetgeving heeft plaatsgevonden. Uit het gelijkstellen van de materiële gevolgen van de a-status en de b-status in de Vreemdelingenwet 2000 volgt namelijk dat in Nederland de “subsidiairebeschermingsstatus dezelfde rechten en

voordelen biedt als de vluchtelingenstatus”. Dat in Nederland geen beroep bij de bestuursrechter mogelijk is als daarmee geen gunstiger positie kan worden bereikt, volgt in de eerste plaats uit vaste jurisprudentie. Daarmee is voldaan aan het vereiste dat het resultaat van een richtlijn door de lidstaten op vormvrije wijze wordt bereikt. Daarnaast ligt dit besloten in artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht. Verdere implementatie van artikel 46, tweede lid, tweede volzin, van de herziene Procedurerichtlijn is door de wetgever daarom niet nodig gevonden.

10. Ook het door eiser aangehaalde arrest E.G. tegen Slovenië kan hem niet baten, omdat in Slovenië, anders dan in Nederland, een vluchtelingenstatus juist wel meer rechten biedt dan een subsidiairebeschermingsstatus. De situatie zoals bedoeld in het door eiser aangehaalde arrest Kolpinghuisdoet zich voorts niet voor, omdat in dit geval geen sprake is van een niet-geïmplementeerde richtlijnbepaling die ten nadele van eiser wordt ingeroepen. Niet alleen is immers, zoals hiervoor al is overwogen, geen noodzaak tot verdere implementatie, maar daarnaast ondervindt eiser ook geen nadeel van het onthouden van een beroepsrecht. Hij kan immers met een beroep niet meer rechten verkrijgen dan hij al heeft. Eiser heeft in dit kader nog verwezen naar de arresten Moussa Sacko tegen Italiëen H.A. tegen België. Deze kunnen hem om dezelfde reden niet baten.

11. Het vereiste van procesbelang leidt alleen tot het onthouden van een beroepsrecht als met een beroep geen verdere, al dan niet in het Unierecht neergelegde, rechten kunnen worden verkregen. Dit brengt met zich dat het vereiste van procesbelang ook in algemene zin niet in strijd is met het Unierecht, in het bijzonder de Unierechtelijke beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid en het Unierechtelijke recht op een daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel.

12. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan bespreking van de beroepsgronden die inhoudelijk ingaan op de motivering op grond waarvan geen a-status is verleend.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. W. Anker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?