ECLI:NL:RBDHA:2022:787

ECLI:NL:RBDHA:2022:787, Rechtbank Den Haag, 01-02-2022, NL22.928

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-02-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL22.928
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2022:1514
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Ophouding rechtmatig. Maatregel van bewaring rechtmatig. Lichter middel en voldoende zicht op uitzetting, in het licht van het arrest Mahdi, voldoende gemotiveerd in de maatregel van bewaring. Echter onvoldoende zicht op uitzetting naar Algerije. Beroep gegrond. Bewaring opheffen. Schadevergoeding toegekend. PKV

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.928

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2022 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Ayash. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Algerijnse nationaliteit te bezitten.

Ophouding

2. Eiser voert allereerst aan dat hij op de onjuiste wettelijke grondslag is opgehouden voor verhoor.

3. Op 19 januari 2022 is eiser door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) overgenomen uit strafrechtelijke detentie en opgehouden voor verhoor. Uit het proces-verbaal van ophouding van 19 januari 2022 blijkt dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Ter zitting heeft verweerder erkend dat de identiteit van eiser, gelet op diens strafrechtelijke detentie, onmiddellijk kon worden vastgesteld. De rechtbank volgt verweerder evenwel niet in zijn stelling ter zitting dat eiser desondanks op grond van deze bepaling mocht worden opgehouden omdat zijn verblijfsrechtelijke positie nog moest worden onderzocht. De ophouding van eiser is derhalve onrechtmatig. Volgens vaste jurisprudentie leidt dit gebrek in het voortraject niet zonder meer tot onrechtmatigheid van de daaropvolgende maatregel van bewaring, maar dient er een belangenafweging plaats te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank valt deze belangenafweging niet in het voordeel van eiser uit, omdat de ernst van het gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de maatregel van bewaring zijn gediend. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder wel op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw tot ophouding kon overgaan, terwijl eiser - zoals hierna zal blijken - de zware gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, niet heeft betwist.

De maatregel van bewaring

3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:

En als lichte gronden zijn vermeld dat eiser:

4. Eiser betwist de gronden 4c en 4d. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden niet heeft betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist en in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Nu reeds deze gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen, slaagt deze beroepsgrond niet.

5. Eiser heeft voorts aangevoerd dat het ontbreken van de mogelijkheid van een lichter middel en het bestaan van voldoende zicht op uitzetting naar Algerije, in het licht van de overwegingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest Mahdi, in de maatregel van bewaring onvoldoende zijn gemotiveerd. In de maatregel is evenwel uitdrukkelijk gemotiveerd dat en waarom een minder dwingende maatregel niet doeltreffend kan worden toegepast. Ook is in de maatregel uiteengezet dat en waarom, in de visie van verweerder, zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. Ten aanzien van beide aspecten geeft de maatregel daarmee voldoende blijk van de door verweerder verrichte beoordeling. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Zicht op uitzetting

6. Eiser heeft verder aangevoerd dat concreet zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt. Daarbij wijst hij erop dat de Afdeling bij uitspraak van 17 september 2021 heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije ontbreekt en dat het standpunt van verweerder dat die situatie inmiddels is gewijzigd niet deugdelijk is gemotiveerd. Ook wijst hij in dat verband op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 januari 2022 waarin eveneens is overwogen dat zicht op uitzetting naar Algerije nog altijd ontbreekt.

7. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. Uit telefonisch contact met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) is gebleken dat er vanaf 20 januari 2022 een nieuwe Algerijnse consul is aangetreden, waardoor er nieuwe mogelijkheden zijn om onderdanen van Algerije weer bij het consulaat van Algerije te presenteren voor het verkrijgen van een laissez-passer (LP). Verweerder heeft hier ter zitting het volgende aan toegevoegd:

 op 20 januari 2022 heeft een eerste presentatie plaatsgevonden van vier vreemdelingen uit Algerije, van wie een LP-aanvraag door het Algerijnse consulaat in behandeling is genomen;

 een LP wordt slechts verstrekt indien er een vlucht voor de desbetreffende vreemdeling is geboekt;

 het luchtruim van Algerije is weer opengesteld voor commerciële vluchten. Dit betekent dat gedwongen vertrek ook feitelijk weer mogelijk is;

 recent zijn ten behoeve van zeven vreemdelingen LP’s verstrekt aan de International Organization for Migration (IOM) voor vrijwillige terugkeer naar Algerije.

8. In de voornoemde uitspraak van 17 september 2021 heeft de Afdeling overwogen dat de presentaties vanaf maart 2020 hebben stilgelegen en dat er al zeer lange tijd geen LP’s zijn verstrekt om vreemdelingen vanuit bewaring uit te kunnen zetten. De omstandigheid dat er op 20 januari 2022 vier vreemdelingen zijn gepresenteerd en dat voor hen een LP-aanvraag in behandeling is genomen, duidt er weliswaar op dat de Algerijnse autoriteiten zich in enige mate coöperatief opstellen, maar is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te spreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is voor zicht op uitzetting namelijk mede bepalend of de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling voldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting meegedeeld dat, voor zover hem bekend, er naar aanleiding van de in behandeling genomen LP-aanvragen nog geen LP’s zijn afgegeven. Gelet hierop kan nu nog niet worden vastgesteld dat de Algerijnse autoriteiten een dergelijke medewerking verlenen. Dat er recent, in het kader van vrijwillig vertrek, zeven LP’s zijn verstrekt leidt niet tot een ander oordeel. In het geval van eiser gaat het immers om een gedwongen vertrek.

9. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank zal dan ook de opheffing van de maatregel van bewaring bevelen met ingang van 27 januari 2022.

10. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank zal een schadevergoeding toekennen voor negen dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel, tot een bedrag van € 930: te weten 1 x € 130 (verblijf politiecel) en 8 x € 100 (verblijf detentiecentrum).

11. De rechtbank ziet verder aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden vastgesteld op € 1.518 (bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en vermenigvuldigd met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Ben Sellam, griffier, openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch meegedeeld op 27 januari 2022 om 16:12 uur aan de gemachtigde van verweerder en om 16:44 uur (via voicemail) aan de gemachtigde van eiser.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. W. Anker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?