RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.18061
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
(gemachtigde: mr. D. Berben).
Procesverloop
Bij besluit van 9 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 26 juni 2023 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 27 juni 2023 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft op 4 juli 2023 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Redelijk vermoeden van illegaal verblijf
2. Eiser voert aan dat uit het proces-verbaal staandehouding niet blijkt dat sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, zodat de staandehouding onrechtmatig heeft plaatsgevonden en de daaruit voortvloeiende maatregel van bewaring eveneens onrechtmatig is opgelegd.
3. Uit het proces-verbaal staandehouding blijkt dat de verbalisanten op 9 juni 2023, om 6:50 uur de openbare ruimte van het AZC [naam AZC] (gebouw 16013) zijn binnengelopen. Een verbalisant zag eiser toen in zijn rolstoel zitten. Deze verbalisant herkende eiser vanwege een foto uit het vertrekdossier. Uit het vertrekdossier bleek verder dat eiser onvoldoende tot geen medewerking had verleend aan zijn terugkeer naar Marokko. De verbalisant heeft zich toen voorgesteld en het doel van zijn komst, namelijk de staandehouding van eiser, medegedeeld, waarna eiser om zijn identiteitskaart is gevraagd. Eiser heeft meermaals geweigerd mee te werken. De rechtbank is van oordeel dat hieruit voldoende duidelijk is geworden dat en waarom sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf en dat er aanleiding was om eiser om zijn identiteitsdocument te vragen. Dat hij in een AZC verblijft en om die reden aannemelijk is dat hij een asielaanvraag heeft lopen, wordt niet gevolgd. Immers is niet gebleken dat sprake is van een lopende asielaanvraag.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:
En als lichte gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De gronden zijn feitelijk juist en voldoende om aan een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
6. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel is toegepast. Aan eiser is eerder een meldplicht opgelegd. Niet duidelijk is waarom dat nu ook niet mogelijk is, aldus eiser.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken te ondervangen, zeker niet nu eiser meermaals heeft verklaard niet naar Marokko te willen gaan. Dat aan eiser eerder een meldplicht is opgelegd, leidt niet tot een andere conclusie. Deze meldplicht heeft niet geleid tot eisers vertrek naar Marokko, zodat verweerder niet gehouden was nogmaals een meldplicht op te leggen. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van
bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig
was.
Conclusie
9. De maatregel van bewaring is terecht aan eiser opgelegd. Het beroep is ongegrond.
Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.