RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.11565
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),
en
Procesverloop
Eiser heeft op 2 november 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat in artikel 6:12 van de Awb.
3. Eiser heeft op 28 juli 2022 een asielaanvraag ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) had verweerder uiterlijk binnen zes maanden een beschikking moeten geven. De staatssecretaris heeft echter, met inwerkingtreding van het WBV 2022/22, de beslistermijn van asielaanvragen die nog niet waren verstreken op 27 september 2022 met negen maanden verlengd. Met WBV 2022/22 is de beslistermijn met negen maanden verlengd. De termijn eindigt dus pas op 28 oktober 2023. Eiser heeft verweerder op 31 maart 2023 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Hij heeft deze ingebrekestelling dus te vroeg verstuurd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de verlenging van de beslistermijn niet rechtsgeldig is. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 6 januari 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:136) leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat de verlenging van de beslistermijn rechtsgeldig is. De beslistermijn. Dat betekent dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4. De rechtbank verklaart het beroep, gelet op het voorgaande, kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.