RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.15420
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
(gemachtigde: mr. W. Epema).
Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2023 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Ilmi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Somalische nationaliteit te hebben.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en stelt onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 30 juni 2023 dat de asielopvang in België zodanig problematisch is dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan mag worden. Zij wijst daarbij ook op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 20 februari 2023, en een nieuwsbericht van Amnesty International van 14 december 2022. Eiseres stelt dat verweerder geen overdrachtsbesluit mag nemen voordat er individuele garanties zijn gegeven dat zij in België daadwerkelijk adequaat wordt opgevangen en asiel kan aanvragen. Verder meent eiseres dat zij door haar medische situatie extra kwetsbaar is. Zij heeft daartoe haar medisch dossier overgelegd. Eiseres stelt dan ook dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen toepassing wordt gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van België kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het geval van eiseres. In de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam van 20 februari 2023 is geoordeeld dat verweerder, vanwege de door het EHRM getroffen interim measures in verband met het gebrek aan opvang, nader moet motiveren waarom ten aanzien van België nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraak informatie opgevraagd bij de Belgische autoriteiten. Bij brieven van 9 maart 2023 en 28 maart 2023 hebben de Belgische autoriteiten laten weten dat de Dublinverordening en daarin vervatte regels worden toegepast, wat de huidige stand van zaken is en hoe zij in het licht van de opvangcrisis aldaar omgaan met terugkerende Dublinclaimanten. In de brief van 9 maart 2023 wordt vermeld dat wegens het gebrek aan plaatsen in het opvangnetwerk momenteel voorrang wordt gegeven aan families, kinderen, vrouwen en andere kwetsbare personen. Zij krijgen na de registratie van hun verzoek om internationale bescherming onmiddellijk een opvangplaats toegewezen. In de brief van 28 maart 2023 wordt nader omschreven welke doelgroepen deze voorrang genieten. Eiseres valt onder de doelgroep alleenstaande vrouwen. Gelet op deze informatie bestaat er geen aanleiding om te veronderstellen dat eiseres te maken krijgt met de problematiek die in de uitspraak van 20 februari 2023 aan de orde is gesteld. Het beroep op de uitspraak van zittingsplaats Den Haag van 30 juni 2023 slaagt niet, nu de rechtbank in rechtsoverweging 3.3 benadrukt dat dat oordeel specifiek ziet op de situatie van de desbetreffende vreemdeling als alleenstaande, niet-kwetsbare meerderjarige man. De rechtbank wijst er daarbij op dat uit de informatie van de Belgische autoriteiten volgt dat voorrang wordt gegeven aan families, kinderen, vrouwen en andere kwetsbare personen. Het oordeel in deze uitspraak is dan ook niet van toepassing op eiseres als alleenstaande vrouw.
5. De rechtbank neemt tevens in aanmerking dat de Belgische autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiseres in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen en relevante Europese richtlijnen. Voor zover eiseres stelt dat zij eerder in België na haar overdracht geen asiel heeft
kunnen aanvragen en geen opvang heeft gekregen, geldt dat niet is gebleken dat zij hierover heeft geklaagd bij de (hogere) Belgische autoriteiten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor haar niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6. Uit het door eiseres overgelegde medisch dossier volgt niet dat zij momenteel onder behandeling staat. Uit de brieven van de Belgische autoriteiten blijkt voorts dat eiseres gedurende de asielprocedure recht heeft op medische ondersteuning. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat de medische zorg die eiseres eventueel nodig heeft in België beschikbaar is. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat voor de overdracht ook nog een fit to travel onderzoek zal plaatsvinden. Verder is in het bestreden besluit al benoemd dat verweerder met toestemming van eiseres haar medische gegevens kan uitwisselen met de Belgische autoriteiten, waarbij zij voor de overdracht worden geïnformeerd over haar medische behoeften. Verweerder heeft ten aanzien van eiseres dan ook geen individuele garanties hoeven vragen aan de Belgische autoriteiten.
7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in de omstandigheden van eiseres geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.