ECLI:NL:RBDHA:2023:11082

ECLI:NL:RBDHA:2023:11082, Rechtbank Den Haag, 24-07-2023, SGR 22/4738

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-07-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer SGR 22/4738
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 2 zaken
8 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0005291 BWBR0005537 BWBR0008657 BWBR0009458 BWBR0013060 BWBR0019057 BWBR0019152

Samenvatting

Verzoeken om schadevergoeding afgewezen wegens misbruik van recht. In haar uitspraak van heden in de zaak met het nummer SGR 22/2907 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de manier waarop eiser gebruikmaakt van zijn bevoegdheden om een behandeling van zijn beroep te verkrijgen en dat beroep heeft gehandhaafd, blijk geeft van kwade trouw. Die kwade trouw is enkel gericht op geldelijk gewin. In zijn zaken past eiser op kwalijke wijze een verdienmodel toe, waarmee hij misbruik maakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15 van het BW. Naar het oordeel van de rechtbank zijn ook de hier voorliggende verzoeken om schadevergoeding onderdeel van eisers verdienmodel en maakt eiser dus ook in deze procedure misbruik van recht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 22/4738

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2023 op het verzoek om schadevergoeding tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: voorheen [gemachtigde] , thans zonder gemachtigde),

en

(gemachtigde: mr. H.A.E. van Soest).

Procesverloop

Eiser heeft op 9 juni 2022 bij de rechtbank een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Het college heeft een reactie ingediend.

Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Bij brief van 6 juni 2023 heeft de rechtbank partijen opgeroepen om in persoon op de zitting van 6 juli 2023 te verschijnen, dan wel om zich op die zitting door een gemachtigde te laten vertegenwoordigen.

Op 11 juni 2023 heeft eiser als volgt om uitstel van de zitting verzocht: “Allereerst meld ik dat ik 6 juli 2022 en de andere dagen niet persoonlijk kan, de rechtbank stuurt mij laatste moment een uitnodiging zonder dat zij verhindering voor de aankomende dagen vraagt. Daarnaast verzoek ik de hoorzitting besloten te houden gezien mijn privacy anders geschonden wordt. Daarnaast moet ik mijn medische situatie bloot geven waar ik ook niet van ben gediend en een meervoudige kamer bij de hoorzitting aanwezig te laten zijn i.p.v. een enkelvoudige kamer. Er wordt ook nadrukkelijk verzocht wel een uitspraak te doen gezien de zaak al te lang duurt. Ik kan digitaal aanwezig zijn gezien ik dan op vakantie ben en de uitnodiging enkele dagen vooraf de zitting is gegeven. Ik zie de link voor de digitale zitting wel tegemoet, anderzijds kunt u mij de vragen die de rechter heeft sturen dan zal ik dezen op schrift beantwoorden.”

Het aanhoudingsverzoek is op 12 juni 2023 afgewezen.

De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2023 op zitting behandeld. Eiser is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Op 10 juli 2023 heeft eiser een e-mail aan de rechtbank gestuurd, met als letterlijke tekst: “Zie bijlage intrekken van het beroep indien geen uitspraak gedaan wordt”. In de bijlage bevinden zich twee producties alsmede een tekst als volgt: “Hierbij laat ik u weten dat ik het beroep intrek gezien er nog geen uitspraak is gedaan dient de zaak dan ook zo afgedaan te worden zonder proceskostenveroordeling of uitspraak. Indien er toch een uitspraak wordt gedaan of proceskostenveroordeling komt dan dient u alsnog uitspraak te doen en beroep mij ook op het feit dat er geen uitzondering is gegeven om de hoorzitting te verplaatsen en ik alsnog medisch overzicht stuurt waarbij ik aantoon dat ik wel naar onder behandeling stond sinds de aanvragen en dat de keuringen dit in kaart moeten brengen en dit ten onrechte mij is afgenomen en niet de bewijslast op mij nu gelegd kan worden gezien ik dit niet kan betalen.

Ik verklaar dat ik de beroepen bij dezen dan ook intrek.”

De rechtbank heeft bij procesbeslissing van 14 juli 2023 besloten dat de e-mail van 10 juli 2023 geen rechtsgeldige intrekking inhoudt en dat in het openbaar uitspraak wordt gedaan op heden.

Misbruik van recht

Eisers verzoek strekt tot vergoeding van door het college inmiddels betaalde vervoerskosten en vergoeding van kosten van een door eiser ingeschakelde deurwaarder in verband met het betalen van een door het college verbeurde dwangsom. Daarnaast verzoekt eiser de rechtbank om te bepalen dat het college deze kosten, alsmede de wettelijke rente, dient te betalen op de door eiser opgegeven bankrekening, zijnde een bankrekening op naam van eisers voormalig gemachtigde en niet een bankrekening op naam van eiser.

Onder meer in haar uitspraak van 14 juni 2023 in de beroepen van eiser met zaaknummers SGR 21/5153, SGR 21/5154, SGR 21/5155, SGR 22/1565 en SGR 22/4949 heeft de rechtbank overwogen dat zij er uit het gepubliceerde vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 10 oktober 2022 mee bekend is dat eiser deel uitmaakt van een groep rond eisers voormalig gemachtigde [gemachtigde] . De leden van die groep communiceren met de gemeente Den Haag en medisch adviseurs van die gemeente, waaronder de GGD, op een wijze die zowel voor wat betreft de frequentie als de inhoud als onrechtmatig is aan te merken. Uit het vonnis van de voorzieningenrechter blijkt dat eiser als inwoner van de gemeente Den Haag de mogelijkheid heeft om gebruik te maken van voorzieningen op basis van onder meer de Participatiewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en gemeentelijke verordeningen. Eiser heeft in de afgelopen jaren, in meer of mindere mate, een beroep op diverse voorzieningen gedaan. Eiser dient veelvuldig klachten in bij de gemeente en bij instanties die in opdracht van de gemeente handelen en hij voert bezwaar- en beroepsprocedures. In het kader van dit alles wordt ook veelvuldig telefonisch en per e-mail contact gezocht door eiser. E-mails worden aan verschillende geadresseerden verzonden en zijn afkomstig van verschillende e-mailadressen. Aanvragen en klachten worden ook herhaald ingediend. Tevens worden ingebrekestellingen ingediend en wordt aanspraak gemaakt op dwangsommen op basis van artikel 4:17 van de Awb. In de contacten – zowel telefonisch als schriftelijk – gebruikt eiser geregeld beledigende, dreigende of onheuse taal, waarbij (ook) individuele medewerkers van de gemeente en haar medisch adviseurs persoonlijk worden aangesproken.

In haar uitspraak van heden in de zaak met het nummer SGR 22/2907 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de manier waarop eiser gebruikmaakt van zijn bevoegdheden om een behandeling van zijn beroep te verkrijgen en dat beroep heeft gehandhaafd, blijk geeft van kwade trouw. Die kwade trouw is enkel gericht op geldelijk gewin. In zijn zaken past eiser op kwalijke wijze een verdienmodel toe, waarmee hij misbruik maakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15 van het BW.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn ook de hier voorliggende verzoeken om schadevergoeding onderdeel van eisers verdienmodel en maakt eiser dus ook in deze procedure misbruik van recht. De rechtbank verwijst daarvoor allereerst naar haar motivering in de uitspraak van heden in de zaak SGR 22/2907. Verder is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van eiser geen concreet en valide belang dient. Wat betreft de vervoerskosten had het college in zijn e-mail van 24 mei 2022, dus voor het indienen van het verzoekschrift op 9 juni 2022, namelijk al toegezegd de vervoerskosten, inclusief wettelijke rente, te vergoeden. Wat betreft de deurwaarderskosten stelt de rechtbank vast dat eiser in zijn beroepschrift van 22 mei 2022 in het beroep met zaaknummer SGR 22/3019, wederom voor het indienen van zijn verzoekschrift, eenzelfde verzoek heeft ingediend. Niet gebleken is van een belang bij het separaat indienen van eenzelfde verzoek om schadevergoeding. Daarnaast bevinden zich in het dossier SGR 22/3019 stukken van eiser, welke in deze procedure overigens ontbreken, waaruit blijkt dat het eiser zelf is geweest, die in mei 2022 een deurwaarder heeft ingeschakeld. Uit de stukken die eiser bij zijn verzoekschrift heeft gevoegd, blijkt echter dat het college de verbeurde dwangsom al daarvoor, namelijk op 28 februari 2022, aan eiser had betaald. De noodzaak tot het inschakelen van een deurwaarder voor het verhalen van een reeds betaalde dwangsom en het daarvoor maken van kosten heeft eiser op geen enkele wijze onderbouwd. Tot slot is niet gebleken van enig belang van eiser bij zijn verzoek om te bepalen dat het college bedragen moet storten op een bankrekening van zijn voormalig gemachtigde, in plaats van eisers eigen bankrekening. Overigens betreft dit een feitelijke handeling, waarover de bestuursrechter geen oordeel kan geven.

Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat eiser misbruik van recht maakt.

Redelijke termijn

Eiser heeft ook in deze zaak verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank stelt vast eiser op 9 juni 2022 zijn verzoek om schadevergoeding heeft ingediend. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar nog niet is verstreken en eiser reeds daarom niet in aanmerking komt voor de door hem gevraagde schadevergoeding.

Proceskosten

3. Omdat eiser misbruik van recht heeft gemaakt, krijgt het college zoals verzocht een vergoeding van zijn proceskosten. Eiser moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 837,- en een wegingsfactor 1,0).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2023.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D.R. van der Meer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?