[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze maatregel is opgelegd op 7 april 2023.
De rechtbank heeft deze maatregel vier maal eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 20 april 2023. Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 26 mei 2023. Op het tweede vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 12 juni 2023. Op het derde vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 12 juli 2023.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser (via een beeldverbinding) en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is rechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Uit de uitspraak van 12 juli 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 6 juli 2023) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
5. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Tijdens de presentatie op 17 juli 2023 zijn de identiteit en nationaliteit van eiser niet vast komen te staan, omdat de door eiser overgelegde identiteitskaart vals is. Gelet echter op het feit dat tijdens die presentatie óók is vastgesteld dat eiser Arabisch met een Egyptisch accent spreekt, staat het vast dat hij de Egyptische nationaliteit heeft. Omdat eiser voldoende meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit door deel te nemen aan de presentatie, moet het er daarom voor worden gehouden dat de Egyptische autoriteiten eiser niet terug willen nemen en de vaststelling van zijn nationaliteit met tegenstrijdige afwijzingsgronden tegenwerken. Er werden ook maar weinig vragen gesteld tijdens de presentatie. Om die reden ontbreekt volgens eiser het zicht op uitzetting.
Dit betoog slaagt niet. Op eiser rust de plicht om actief en volledig aan zijn uitzetting mee te werken. Uit het verslag van de presentatie van 17 juli 2023 volgt dat de door eiser overgelegde identiteitskaart volgens de Egyptische autoriteiten niet echt is. De rechtbank ziet, anders dan eiser stelt, geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de Egyptische autoriteiten, mede omdat eiser niet heeft onderbouwd waarom de Egyptische autoriteiten zijn terugkeer naar Egypte actief zouden tegenwerken. De staatssecretaris stelt zich in dit verband daarom terecht op het standpunt dat eiser zijn uitzetting door het overleggen van een valse (kopie van een) identiteitskaart belemmert en dus onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting. Bovendien is ook niet op een andere manier vast komen te staan dat eiser de Egyptische nationaliteit heeft. Het enkele feit dat eiser Arabisch met een Egyptisch accent spreekt, is voor die conclusie onvoldoende. Daar komt nog bij dat de staatssecretaris er terecht op wijst dat eiser bekendstaat onder 16 aliassen en dat hij onder meer heeft verklaard uit Palestina te komen, zodat ook niet is uitgesloten dat eiser (nog) een andere nationaliteit dan de Egyptische heeft. Het zicht op uitzetting ontbreekt daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De staatssecretaris hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.