RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20947
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 13 mei 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 27 juli 2023.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op 24 december 2000 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8792. volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 7 juni 2023, de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser stelt dat verweerder geen inhoudelijke individuele belangenafweging heeft gemaakt inzake het voortduren van de bewaring. In de voortgangsrapportage is opgenomen dat de belangenafweging ‘niet van toepassing’ is. Er is dan volgens eiser ook geen deugdelijke motivering gegeven is door verweerder. Ook is daardoor ten onrechte geen lichter middel toegepast. Eiser heeft medische en psychische klachten, die verergeren door het strikte bewaringsregime in het detentiecentrum. Eiser stelt dat hij geen behandeling krijgt voor deze klachten. Verder is eiser van mening dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Verweerder heeft de LP-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten, terwijl eiser heeft verklaard de Algerijnse nationaliteit te hebben. Daardoor handelt verweerder onvoldoende voortvarend volgens eiser. De Marokkaanse autoriteiten hebben ook niet gereageerd op de LP-aanvraag. De maatregel van bewaring en de ingediende LP-aanvraag dienen dan ook geen enkel doel, nu de aanvraag bij de verkeerde autoriteiten is gedaan. Eiser meent dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig is en in strijd met onder meer artikel 15, tweede lid en onder b, van de Terugkeerrichtlijn, artikel 5 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De maatregel van bewaring duurt nog geen zes maanden, wat maakt dat verweerder niet gehouden is om een belangenafweging te maken bij het voortduren van de maatregel. In de voortgangsrapportage is dan ook terecht opgenomen dat de belangenafweging niet van toepassing is.
6. Het is de rechtbank niet gebleken dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, en het daaruit volgende risico op onttrekking aan het toezicht, niet meer van toepassing zijn op eiser. Voor zover eiser medische klachten heeft, geldt dat hij toegang heeft tot medische zorg in het detentiecentrum. Daargelaten dat eiser niet heeft onderbouwd dat medische behandeling hem geweigerd wordt dan wel niet (voor hem) beschikbaar is, kan de bewaringsrechter volgens de Afdeling niet oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld. Daarvoor staan andere rechtsmiddelen open. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. Eiser heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die de bewaring onevenredig bezwarend maken. Gelet op het onttrekkingsrisico heeft verweerder ook terecht geen lichter middel toegepast.
7. Bij uitspraak van 13 juni 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat verweerder in het geval van eiser terecht uitgaat van de Marokkaanse nationaliteit en het aan eiser is om de Algerijnse nationaliteit aan te tonen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover nu anders te oordelen. Ook is niet gebleken van enige pogingen van eiser om de volgens hem juiste nationaliteit aan te tonen. Dit maakt dat de LP-aanvraag ook terecht is ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voortvarend te werk gaat met dit traject. Verweerder rappelleert op frequente basis over de LP-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten en voert regelmatig vertrekgesprekken met eiser. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarom uitzetting naar Marokko in het algemeen, of voor hem in het bijzonder, niet binnen afzienbare termijn mogelijk is.
8. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.