RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.24464
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 22 augustus 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Op 25 augustus 2023 heeft verweerder een kennisgeving gedaan dat de bewaring van eiser voortduurt. Deze kennisgeving wordt aangemerkt als een beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Eiser heeft gronden ingediend en schadevergoeding gevraagd.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 1 september 2023.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 juni 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 15 juni 2023, de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser stelt dat verweerder, na het verzoek van de rechtbank om inlichtingen te geven over de voortgang van de voorbereiding van eisers uitzetting, geen nieuwe informatie heeft verstrekt. De bewaring dient daarom te worden opgeheven. Subsidiair meent eiser dat er onvoldoende voortvarend wordt gehandeld en zicht op uitzetting op korte termijn ontbreekt. Ter onderbouwing verwijst eiser naar informatie van DT&V met peildatum 31 mei 2023.
5. Verweerder heeft door het overleggen van de voortgangsrapportage van 22 augustus 2023 wel degelijk inlichtingen gegeven over de voorbereiding van eisers uitzetting. De beroepsgrond van eiser slaagt dan ook niet.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder sinds het indienen van de LP-aanvraag vijf maal schriftelijk heeft gerappelleerd over de aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast heeft verweerder met eiser vier vertrekgesprekken gevoerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat er onvoldoende voortvarend wordt gehandeld. Hierbij weegt de rechtbank mee dat eiser geen invulling wil geven aan zijn meewerkplicht. Eiser is al eerder meegedeeld dat hij het proces voor de afgifte van een reisdocument kan versnellen als hij contact opneemt met de Marokkaanse autoriteiten. Tijdens het meest recente vertrekgesprek op 31 juli 2023 is wederom aan eiser gevraagd wat hij zelf heeft ondernomen om zijn terugkeer naar Marokko mogelijk te maken. Eiser heeft nogmaals aangegeven dat hij niets heeft ondernomen omdat hij niet wil terugkeren naar Marokko. Gelet op het feit dat op eiser een plicht rust om in het kader van zijn terugkeer zijn volledige en actieve medewerking te verlenen, is de rechtbank van oordeel dat de vertraging in het proces voor rekening en risico van eiser zelf is.
7. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid wordt uitgegaan van zicht op uitzetting in het geval van Marokko. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat in zijn geval zicht op uitzetting wel ontbreekt. Niet is gebleken van concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat aan eiser geen LP zal worden verstrekt. Zoals eerder overwogen houdt eiser zich niet aan zijn vertrekplicht. Nu eiser niet volledig en actief meewerkt aan zijn uitzetting, kan niet gesteld worden dat geen zicht op uitzetting bestaat.
8. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.