RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.13650
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Bij besluit van 4 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Op 16 mei 2023, na sluiten van het onderzoek, heeft verweerder een M113 aan het dossier toegevoegd waarin is vermeld dat de maatregel is opgeheven met ingang van 12 mei 2023 omdat eiser is uitgezet.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Er is volgens eiser in onderhavig geval sprake van een geplande inbewaringstelling, teneinde eiser over te dragen aan Spanje. Verweerder heeft op
4 mei 2023 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd, maar heeft vervolgens gewacht tot 8 mei 2023 met het aanvragen van een vlucht naar Spanje. Vervolgens is er een vluchtakkoord voor een vlucht op 16 mei 2023, terwijl er volgens eiser ook op eerdere data vluchten naar Spanje beschikbaar waren. Hoewel verweerder zich, in navolging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), doorgaans op het standpunt stelt dat een handeling op de zevende dag na inbewaringstelling voldoende voortvarend is, betoogt aan dat in zijn geval sneller gehandeld had kunnen worden.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld ten aanzien van eisers overdracht aan Spanje. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 4 mei 2023 is staande gehouden op het asielzoekerscentrum waar hij verbleef, omdat er op basis van informatie uit zijn vertrekdossier een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond. Vervolgens is aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Gelet hierop is er sprake van een geplande inbewaringstelling en dient verweerder op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna; de Afdeling) met een meer dan gebruikelijke voortvarendheid aan eisers uitzetting te werken. Uit meer recente vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen bij een geplande inbewaringstelling een eerste uitzettingshandeling op de zesde dag voldoende voortvarend is. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding zijn hiervan af te wijken zodat een langere dan wel kortere periode geldt.
De rechtbank ziet echter geen grond voor het oordeel dat het voorgaande betekent dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. In dit verband acht de rechtbank van belang dat eiser op 4 mei 2023 in bewaring is gesteld, dat verweerder op 8 mei 2023 een vlucht heeft aangevraagd en dat er op 9 mei 2023 een vluchtakkoord was. Vast staat dus dat verweerder op de vierde dag na de inbewaringstelling een eerste uitzettingshandeling heeft verricht. Dat vervolgens pas een week later, te weten op 16 mei 2023, een vlucht beschikbaar is, is naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft hiervan af te wijken zodat een kortere periode geldt. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling van eiser dat via commerciële kanalen wel eerdere vluchten beschikbaar waren doet hier niets aan af, nu verweerder heeft toegelicht dat hij niet in de hand heeft op welke momenten er vluchten beschikbaar zijn en hij ook afhankelijk is van de ontvangende lidstaat teneinde eiser over te kunnen dragen.
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest C, B en X van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Krens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.B.J. Schreijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 23 mei 2023
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.