RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.16442
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 5 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van
eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de
behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 6 september 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben
zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1994 en de Jemenitische nationaliteit te hebben.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de
Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is
vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
In dit geval heeft Nederland bij Polen een verzoek om terugname gedaan. Polen heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser heeft in beroep de zogeheten ‘loopbrief’ overgelegd die hij heeft ontvangen toen hij zich heeft gemeld in Ter Apel op 18 januari 2023. Hij heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam. Verder stelt eiser dat verweerder het voornemen onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder dient alle argumenten ter afwijzing van de asielaanvraag in het voornemen op te nemen. Eiser volgt verweerder dan ook niet in de stelling dat het voornemen een mededeling van feitelijke aard is en geen op rechtsgevolg gericht besluit. Nu in het voornemen niet alle door eiser naar voren gebrachte bezwaren zijn betrokken, is het voornemen in strijd met artikel 39 van de Vreemdelingenwet. Ook heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door geen vertaling van het meegezonden Poolse document over te leggen. Verder kan ten aanzien van Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. Hij verwijst ter onderbouwing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, en informatie van VluchtelingenWerk Nederland van 8 juli 2023. Eiser heeft in Polen in detentie gezeten, waarbij hij is behandeld in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft dit in het voornemen niet ongeloofwaardig geacht, dus de onrechtmatigheid van de detentie staat volgens eiser vast. Verweerder dient dan ook aan te tonen dat eiser bij gedwongen terugkeer niet wederom aan een behandeling wordt onderworpen in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Tot slot meent eiser dat verweerder de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich dient te trekken, nu voorzienbaar is dat eiser na terugkeer naar Polen geen medische behandeling zal krijgen voor de traumatische klachten die zijn veroorzaakt door de Poolse autoriteiten. Ter onderbouwing van zijn psychische klachten heeft eiser informatie van de GGZ Rivierduinen overgelegd en hij doet in dat kader een beroep op het arrest C.K. en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank is van oordeel dat de door het aanmeldcentrum Ter Apel uitgereikte loopbrief niet is op te vatten als een ‘door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal’ van een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening. Gelet hierop is de Dublinprocedure aangevangen met de formele asielaanvraag, dus het ondertekenen van het M35-H-formulier op 25 januari 2023. Nu Polen op 20 maart 2023 is verzocht om terugname in het kader van de Dublinverordening, is dit verzoek dus tijdig ingediend.
5. Het voornemen is een voorbereidingshandeling en dient als aankondiging van wat verweerder van plan is, namelijk het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag en eiser overdragen aan de Poolse autoriteiten. Vervolgens is eiser in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze hierop te geven. Verweerder heeft in het bestreden besluit gereageerd op alle bezwaren die eiser naar voren heeft gebracht. Niet valt in te zien waarom de handelwijze in deze procedure in strijd is met artikel 39 van de Vreemdelingenwet. Ook heeft verweerder zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat het de verantwoordelijkheid is van eiser om het Poolse stuk te laten vertalen.
6. Niet in geschil is dat Polen in beginsel verantwoordelijk is voor de
asielaanvraag van eiser. Met de aanvaarding van het terugnameverzoek hebben de Poolse autoriteiten toegezegd dat zij het asielverzoek van eiser zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Het uitgangspunt is verder dat verweerder ten aanzien van
Polen in beginsel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hier niet langer vanuit kan worden gegaan. Eiser is daarin niet geslaagd.
7. Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft in een uitspraak van 2 juni 2022 geconcludeerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat de Poolse autoriteiten zich - afgezien van de pushbacks aan de buitengrenzen - niet houden aan hun internationale verplichtingen en de waarborgen die daaruit voortvloeien. Dit is ook geoordeeld door de meervoudige kamer van diezelfde zittingsplaats op 1 juli 2022. Over de Poolse rechtspraak is overwogen dat in die zaak niet was gebleken dat de vreemdeling geen toegang had tot de rechter of dat de rechtspraak in vreemdelingenzaken in Polen niet onafhankelijk en onpartijdig is. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op basis waarvan in zijn situatie tot een ander oordeel moet worden gekomen. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat deze uitspraken achterhaald zijn.
8. De rechtbank wijst er verder op dat het Hof op 5 juni 2023 heeft geoordeeld dat de hervorming van het Poolse rechtssysteem in strijd is met het Europese recht. Er bestaan dus zorgen over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen. Desondanks heeft zittingsplaats Arnhem geoordeeld dat als de onafhankelijkheid en/of onpartijdigheid van de rechterlijke macht in een lidstaat (structurele of fundamentele) gebreken kent, dit op zichzelf niet voldoende is voor de conclusie dat sprake is van een dusdanige situatie dat in die lidstaat gevreesd moet worden voor een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Of dat reëel risico bestaat, moet per individueel geval worden beoordeeld. Daarvoor is relevant om te bepalen of sprake is van individuele risicofactoren die maken dat juist het proces van eiser zal worden beïnvloed. Daarvan is niet gebleken. Eiser heeft namelijk geen op zichzelf of op zijn specifieke zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit geconcludeerd kan worden dat er (mogelijk) sprake is van individuele risicofactoren die een eventuele juridische procedure van hem in Polen zou kunnen beïnvloeden. Eiser heeft uitsluitend gewezen op de algemene informatie in het stuk van VluchtelingenWerk. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiser geen toegang zal hebben tot een rechter of dat Poolse rechters op dit moment in vreemdelingrechtelijke zaken onder druk van deze nieuwe wetgeving niet langer onafhankelijk en/of onpartijdig rechtspreken.
9. Verweerder heeft niet betwist dat eiser in Polen in detentie heeft verbleven. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheden en de behandeling gedurende die detentie in strijd waren met de internationale verplichtingen. Niet is gebleken dat de verwondingen die eiser heeft, zijn ontstaan in detentie en zijn toegebracht door Poolse grenswachters. Verder stelt verweerder ook terecht dat het op de weg van eiser ligt om te klagen over de detentieomstandigheden bij de (hogere) Poolse autoriteiten. Het is de rechtbank niet gebleken dat klagen op voorhand zinloos of onmogelijk is.
10. In de brief van de psychiater van 30 augustus 2023 is opgenomen dat eiser twee zelfmoordpogingen heeft gedaan. Deze gestelde calamiteiten zijn niet verder onderbouwd. Ook als uitgegaan moet worden van de calamiteiten, is niet onderbouwd dat eiser alleen in Nederland medische behandeling zal kunnen krijgen voor zijn psychische klachten. Verweerder wijst er in het bestreden besluit terecht op dat Polen dezelfde medische voorzieningen heeft als Nederland.
11. Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, slaagt ook niet. In die zaak is verweerder in de besluitvorming ten onrechte niet ingegaan het arrest C.K. en de door de vreemdelingen overgelegde medische informatie. De onderhavige zaak is niet vergelijkbaar. Ten tijde van het bestreden besluit was er immers geen enkel medisch document overgelegd waar verweerder rekening mee diende te houden en had eiser zelf juist verklaard dat zijn zelfmoordgedachten waren verwaterd. Ook is onduidelijk wanneer de gestelde suïcidepogingen zouden hebben plaatsgevonden. Daarom kan niet gesteld worden dat verweerder hier ten tijde van het bestreden besluit, 5 juni 2023, van op de hoogte had kunnen zijn en dit ten onrechte niet heeft meegenomen in de beoordeling.
12. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in de omstandigheden van eiser geen
aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de
Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen.
13. Het beroep is ongegrond.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.