RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.26511
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Verweerder heeft op 12 oktober 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop bij schrijven van 12 oktober 2022 gereageerd.
Verweerder heeft op 2 januari 2023 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 2 januari 2023 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1994 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 oktober 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:11419. Vervolgens is al een eerder vervolgberoep ingesteld. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13532. Uit de laatstgenoemde uitspraak volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 6 december 2022, de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, en voert daartoe het volgende aan. Uit het M120-formulier en de beschikking regulier van 12 augustus 2021 blijkt dat verweerder beschikt over een kopie van het op 25 september 2020 aan eiser afgegeven Marokkaanse paspoort. Deze kopie heeft verweerder nog steeds niet aan de Marokkaanse autoriteiten doen toekomen. De opdracht om vingerafdrukken af te staan is zinledig, omdat de identiteit en nationaliteit van eiser vast staan. Het is slechts een drogreden om appellant langer in detentie te houden.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank stelt vast dat verweerder (sinds het sluiten van het onderzoek op 6 december 2022) met eiser op 16 december 2022 een vertrekgesprek heeft gevoerd en daarnaast op 22 december 2022 schriftelijk heeft gerappelleerd over de aanvraag voor een laissez-passer (LP) bij de Marokkaanse autoriteiten. Uit het verslag van het vertrekgesprek blijkt tevens dat eiser niets heeft ondernomen om zijn vertrek naar Marokko te bespoedigen en dat hij afwacht welke stappen DT&V gaat nemen. Meer in het bijzonder werkt eiser tot op heden niet mee aan het afnemen van vingerafdrukken ten behoeve van de afgifte van de LP. Evenmin heeft eiser zijn originele paspoort overgelegd. Anders dan eiser stelt, is zijn identiteit en nationaliteit niet daadwerkelijk vastgesteld. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 9 december 2022 al geoordeeld dat het niet inbrengen van de kopie van het Marokkaanse paspoort niet afdoet aan de voortvarendheid van het handelen van verweerder. Overigens heeft verweerder in zijn verweerschrift meegedeeld dat volgens de regievoerder bij het indienen van de LP-aanvraag op 19 oktober 2022 een kopie van het paspoort van eiser is overgelegd en dat de Marokkaanse autoriteiten dus in het bezit zijn van een kopie van het paspoort van eiser.
6. De rechtbank stelt verder vast dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting in het geval van Marokko. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2022. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou moeten volgen dat in zijn geval zicht op uitzetting ontbreekt. De sinds het indienen van de LP-aanvraag verstreken tijd leidt niet tot twijfel aan de vraag of de Marokkaanse autoriteiten voor eiser een LP zullen afgeven.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel om het voortduren van de bewaring onrechtmatig te achten.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.