[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 7 september 2023 waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000(Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
2. De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser, via een beeldverbinding, en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Had de staatssecretaris een aanvullend terugkeerbesluit mogen nemen?
5. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat het aanvullend terugkeerbesluit niet geldig is.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 2 juni 2021 uitleg gegeven over de vraag of de staatssecretaris in een terugkeerbesluit het land van terugkeer moet vermelden. In die uitspraak heeft de Afdeling onder meer overwogen dat de staatssecretaris het ten onrechte niet noemen van het land van terugkeer in een eerder besluit kan herstellen door alsnog een terugkeerbesluit te nemen waarin hij wel vermeldt naar welk land de vreemdeling moet terugkeren. Volgens de Afdeling is dit met name relevant als hij de vreemdeling in bewaring wil stellen met het oog op gedwongen terugkeer of een inreisverbod wil opleggen.
De staatssecretaris heeft op 7 september 2023, voorafgaand aan de maatregel van bewaring, een aanvullend terugkeerbesluit genomen, waarin is vermeld dat eiser naar Marokko moet terugkeren. Op de zitting heeft de staatssecretaris medegedeeld dat in het terugkeerbesluit van 9 februari 2021 niets stond over terugkeer naar Marokko.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris bij het aanvullend terugkeerbesluit Marokko terecht heeft aangemerkt als het land waarnaar eiser moet terugkeren, omdat er voldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat dit eisers land van herkomst is. Zo heeft eiser zelf verklaard te zijn geboren in [plaats] in Marokko en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Daarnaast is eiser voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring gehoord (M110 Proces-verbaal van gehoor bij bewaring-terugkeerbesluit en of inreisverbod) en heeft hij voldoende gelegenheid gehad om zijn zienswijze kenbaar te maken. Deze zienswijze is ook meegenomen in het aanvullend terugkeerbesluit. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het aanvullend terugkeerbesluit geldig is en terecht (samen met het terugkeerbesluit van 9 februari 2021) ten grondslag is gelegd aan de maatregel van bewaring.
Is er sprake van een motiveringsgebrek?
6. Eiser voert aan dat er sprake is van een motiveringsgebrek omdat de staatssecretaris in het maatregel van bewaring niet heeft opgenomen dat hij medische problemen heeft. Zo heeft eiser refluxklachten en heeft hij psychische klachten.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank constateert dat de staatssecretaris in de maatregel van bewaring heeft opgenomen dat eiser refluxklachten heeft waarvoor hij medicatie gebruikt, last heeft van een spier in zijn bovenbeen, psychische problemen heeft en detentie benauwend vindt. Daarnaast heeft de staatssecretaris in de maatregel gesteld dat voor zover eiser een beroep doet op medische omstandigheden of problemen, dit niet leidt tot toepassing van een lichter middel, omdat in een detentiecentrum voldoende medische faciliteiten voorhanden zijn. Ook heeft de staatssecretaris gesteld dat eiser niet detentieongeschikt is, nu de psychische zorg in de detentiecentrum voldoende is afgedekt. Daarmee heeft de staatssecretaris eisers omstandigheden voldoende in de afweging betrokken en is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een motiveringsgebrek.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.