RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.33709
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. S. Benayad),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 4 augustus 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 31 oktober 2023.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van
17 augustus 2023. Vervolgens is al eerder vervolgberoep ingesteld. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 september 2023. Hieruit
volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 19 september 2023, rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Tunesië binnen een redelijke termijn. Tot op heden hebben namelijk zowel de Tunesische autoriteiten als de Marokkaanse autoriteiten nog niet gereageerd op het verzoek om afgifte van een lp voor eiser. Dit ondanks dat verweerder beschikt over de identiteitskaart van eiser waaruit zijn personalia en nationaliteit blijken. Daarnaast is eiser mishandeld in het detentiecentrum en maakt hij zich ernstig zorgen om zijn veiligheid bij het voortduren van de bewaring. Eiser meent dan ook dat de bewaring moet worden opgeheven.
5. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Tunesië. Niet is gebleken dat door de autoriteiten van Tunesië in het algemeen of voor eiser in het bijzonder geen lp zal worden afgegeven. Dat de Tunesische autoriteiten nog geen lp hebben verstrekt is onvoldoende voor de conclusie dat het zicht op uitzetting in het individuele geval van eiser ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2022 volgt dat het Detentiecentrum Rotterdam kan worden gekwalificeerd als een speciale inrichting voor bewaring. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de bewaringsrechter niet kan oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld. Daarvoor staan andere rechtsmiddelen open. Voor zover eiser aanvoert dat de bewaring moet worden opgeheven vanwege het incident volgt de rechtbank dit niet. Eiser heeft aangifte kunnen doen van het incident en in het vertrekgesprek van 27 september 2023 is eiser naar het incident gevraagd. Hieruit blijkt dat het detentiecentrum de situatie van eiser serieus neemt. De belangenafweging leidt niet tot het oordeel dat de het voortduren van de bewaring onrechtmatig is.
7. Tot slot is het de rechtbank ook ambtshalve niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.