RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.36019
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
Verweerder heeft op 22 februari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder bij brief van 20 november 2023 een reactie op de beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 21 november 2023.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2002 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste vervolgberoep op 16 oktober 2023.
4. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt, maar dat het de vraag is of in zijn specifieke geval zicht op uitzetting bestaat. Er is meer dan acht maanden verstreken zonder dat een lp is verstrekt. Eiser verleent de medewerking die van hem kan worden verwacht en is dus geen actief frustrerende vreemdeling. Eiser heeft niet geweigerd om naar een presentatie te gaan en hij heeft een vrijwilligersbrief aan het Marokkaanse consulaat geschreven. Verweerder hecht onvoldoende waarde aan eisers medewerking. De gemaakte verzwaarde belangenafweging is onvoldoende zorgvuldig, nu daarin de medewerking van eiser en zijn wens om spoedig naar Marokko terug te keren niet zijn betrokken. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 23 oktober 2023.
5. Uit de brief van verweerder van 21 november 2023 blijkt dat de Marokkaanse autoriteiten op 16 november de nationaliteit van eiser hebben vastgesteld en dat het Marokkaanse consulaat op 17 november 2023 de afgifte van een lp heeft toegezegd. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat in het geval van eiser het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.
6. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn stelling dat verweerder geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom, alle belangen afwegende, het voortduren van de maatregel noodzakelijk wordt geacht. Allereerst mag van eiser worden verwacht dat hij volledig en actief meewerkt aan zijn uitzetting. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder bij de belangenafweging heeft betrokken dat eiser onvoldoende actie heeft ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen en zijn terugkeer naar Marokko te bespoedigen. Daarbij is ook vermeld dat eiser zich niet wil inschrijven bij het IOM en geen interesse heeft in ondersteuning van het programma van JRS. Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat van een daadwerkelijke concretisering van de gestelde bereidheid van eiser om terug te keren naar Marokko niet is gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Het beroep van eiser op de uitspraak van zittingsplaats Groningen slaagt ook niet, nu geen sprake is van een vergelijkbaar geval. Anders dan in de zaak van eiser, waarin een lp is toegezegd, was in die zaak namelijk geen sprake van concrete aanknopingspunten dat het Marokkaanse consulaat op korte termijn op rappels zou reageren of handelen.
8. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.