[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Benayad),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 1 augustus 2023.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 21 augustus 2023. Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 2 oktober 2023. Op het tweede vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 7 november 2023.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, via een beeldverbinding, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of het opleggen van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
5. Uit de uitspraak van 7 november 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op31 oktober 2023) rechtmatig is.
Bewaringsgronden
6. De zware en lichte gronden die door de staatssecretaris in de maatregel van bewaring zijn opgenomen, zijn inhoudelijk niet betwist door eiser. In de uitspraak van21 augustus 2023 heeft deze rechtbank geoordeeld dat de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen. Uit deze gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd volgt dat er een risico op onttrekking bestaat. Daarom kan nog steeds worden aangenomen dat het risico op onttrekking aan het toezicht bestaat.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
7. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting naar Tunesië ontbreekt. Eiser stelt dat zowel hij als zijn gemachtigde telefonisch de Tunesische consul hebben gesproken en dat ze aan hem en zijn gemachtigde hebben verteld dat er geen laissez-passer (lp) aan eiser wordt verstrekt zolang er geen erkenning is voor het geweld dat tegen eiser is gebruikt door de Koninklijke Marechaussee (KMar) tijdens zijn laatste poging om hem uit te zetten. Volgens eiser heeft de Tunesische consul al eerder gezegd om die reden geen lp te verstrekken. De Tunesische consul heeft aangegeven dat eiser een arts dient te zien en er een medische verklaring moet volgen. Dat de staatssecretaris stelt dat er een toezegging is door de Tunesische consul dat een lp wordt afgegeven, klopt niet volgens eiser. Verder stelt eiser dat het niet klopt dat hij is weggelopen bij de medische controle omdat het wachten te lang duurde. Het is volgens eiser niet aan hem te wijten dat hij pas op 27 november 2023 een arts heeft gezien. Eiser voert ten slotte aan dat hij inmiddels al negen maanden in bewaring zit.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Uit de voortgangsrapportage en het verslag van de presentatie in persoon volgt dat eiser op 31 oktober 2023 is gepresenteerd bij de Tunesische consul. Uit het verslag blijkt dat de vertegenwoordiger mondeling heeft aangegeven dat het lp-akkoord blijft gelden, maar dat eiser eerst een medische controle dient te krijgen in verband met zijn blauwe plekken en dat hij met zijn gemachtigde een gesprek heeft over het incident. Het betoog van eiser dat de Tunesische consul geen lp zal afgegeven zolang er geen erkenning is voor het geweld dat tegen eiser is gebruikt door de KMar, is niet onderbouwd met stukken. Het betoog van eiser dat de Tunesische consul al eerder heeft toegezegd om geen lp te verstrekken, is ook niet onderbouwd met stukken. Uit de voortgangsrapportage volgt dat de staatssecretaris op 1 november 2023 de medische dienst heeft verzocht om een medische controle uit te voeren bij eiser. Verder volgt uit de voortgangsrapportage dat eiser op 21 november 2023 bij de medische dienst was, maar dat hij het wachten te lang vond duren en de wachtruimte daarom heeft verlaten. Het betoog van eiser dat het niet aan hem is te wijten dat hij op 21 november 2023 de wachtruimte heeft verlaten, waardoor er op die dag geen medische controle heeft plaatsgevonden, heeft eiser niet onderbouwd. Nu de medische controle heeft plaatsgevonden en eiser met zijn gemachtigde over het incident heeft gesproken, heeft de staatssecretaris voldaan aan de extra voorwaarden die de Tunesische consul heeft gesteld naar aanleiding van eisers presentatie op 31 oktober 2023. De uitkomst van eisers medische controle moet worden doorgestuurd naar de Tunesische consul. De staatssecretaris moet de tijd worden gegeven om het traject verder te vervolgen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding om te veronderstellen dat de Tunesische consul geen lp aan eiser zal verstrekken. Ten aanzien van het feit dat eiser inmiddels al negen maanden in bewaring zit, oordeelt de rechtbank als volgt. Van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Dat heeft eiser niet gedaan. Door op 21 november 2023 de wachtruimte van de medische dienst te verlaten, waardoor de medische controle niet heeft kunnen plaatsvinden, belemmert eiser zijn terugkeer. Het zicht op uitzetting is alleen al daarom in beginsel gegeven. Het komt voor rekening en risico van eiser dat de bewaring voortduurt, omdat hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de staatssecretaris voldoende voortvarend gehandeld?
8. Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Hiertoe voert hij aan dat de staatssecretaris sinds 7 september 2023 geen vertrekgesprek meer heeft gevoerd met eiser. Het laatste vertrekgesprek is van bijna drie maanden geleden, terwijl de staatssecretaris één keer per maand minimaal een vertrekgesprek met eiser dient te voeren.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals eerder geoordeeld onder 7.1 volgt uit de voortgangsrapportage dat de staatssecretaris op 1 november 2023 de medische dienst heeft verzocht om een medische controle uit te voeren bij eiser, welke op 21 november 2023 stond gepland. Uit de voortgangsrapportage volgt verder dat eiser op 21 november 2023 bij de medische dienst was, maar de wachtruimte heeft verlaten omdat hij het wachten te lang vond duren. De staatssecretaris heeft vervolgens een nieuwe afspraak gemaakt en eiser is op 27 november 2023 bij de medische dienst geweest voor een controle. Hiermee heeft de staatssecretaris voldoende voortvarend gehandeld aan de uitzetting van eiser. Het betoog van eiser dat er minimaal één vertrekgesprek moet worden gevoerd per maand, maakt dit niet anders. Als uitgangspunt bij de beoordeling van de voortvarendheid stelt de rechtbank voorop dat de staatssecretaris daadwerkelijke handelingen verricht die zien op de uitzetting. Zoals geoordeeld onder 7.1 heeft de Tunesische consul voor de afgifte van een lp als extra voorwaarde gesteld dat eiser een medische controle moet krijgen. Daarmee ziet het maken van een afspraak (en vervolgens een nieuwe afspraak) voor een medische controle op eisers uitzetting.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is en de staatssecretaris geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid vanmr.S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.