RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.264
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 4 november 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 10 januari 2023 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 november 2022 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 16 november 2022, de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is, nu er geen redelijk kans is dat binnen een redelijke termijn een laissez-passer (LP) zal worden verkregen. Na ruim twee maanden inbewaringstelling heeft er nog geen presentatie plaatsgevonden bij de Marokkaanse autoriteiten. Dit is een vereiste om te komen tot afgifte van een LP. Eiser stelt vast dat de toestroom van in bewaring gestelde vreemdelingen met de Marokkaanse nationaliteit kennelijk te groot is geweest om tot werkbare afspraken te kunnen komen met de Marokkaanse autoriteiten. Verweerder heeft zich onvoldoende gerealiseerd dat een te grote toestroom van nieuwe inbewaringstellingen leidt tot verstopping in het systeem.
5. De rechtbank stelt vast dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting in het geval van Marokko. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2022. Eisers stelling dat verweerder zich onvoldoende heeft gerealiseerd dat een te grote toestroom van nieuwe inbewaringstellingen leidt tot verstopping in het systeem, is niet onderbouwd noch nader geconcretiseerd. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder op 2 december 2022 en 22 december 2022 schriftelijk heeft gerappelleerd over de aanvraag voor een LP bij de Marokkaanse autoriteiten. De sinds het indienen van de LP-aanvraag verstreken tijd leidt zonder nadere aanknopingspunten niet op voorhand tot twijfel over de vraag of de Marokkaanse autoriteiten voor eiser een LP zullen afgeven.
6. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.