ECLI:NL:RBDHA:2023:20750

ECLI:NL:RBDHA:2023:20750, Rechtbank Den Haag, 29-12-2023, NL23.39233

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-12-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL23.39233
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2024:416
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0011823 BWBR0011825

Samenvatting

vk, ongegrond

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.39233

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. B.A. Palm), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F. Tribak. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;

3l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om uit

eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet bestreden. Op dit punt ambtshalve oordelend is de rechtbank niet gebleken van onrechtmatigheden.

4. Eiser voert aan dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 5.3, eerste lid, van het Vb. Bij de uitreiking van de maatregel van bewaring heeft verweerder hem niet op de hoogte gebracht van de redenen van bewaring, in een taal die hij verstaat.

5. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat verweerder hem niet schriftelijk, in een taal die hij verstaat, op de hoogte gebracht van de redenen van bewaring. De folder in het Arabisch die hem bij het opleggen van de maatregel van bewaring is uitgereikt, volstaat in dit verband niet. Deze folder vermeldt namelijk niet specifiek welke juridische en feitelijke gronden op de maatregel van bewaring in kwestie van toepassing zijn. In zoverre heeft verweerder artikel 5.3, eerste lid, van het Vb geschonden.

6. De rechtbank maakt een belangenafweging. Verweerder heeft de maatregel van bewaring schriftelijk gemotiveerd. In deze maatregel van bewaring heeft verweerder de redenen voor die bewaring genoemd. Bij het uitreiken van de maatregel wist eiser waarom hij in bewaring werd gesteld. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is namelijk met een tolk met eiser gesproken over die redenen. Aldus is de rechtbank niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad door het feit dat hij niet schriftelijk, in een taal die hij verstaat, op de hoogte is gebracht van de redenen van de maatregel van bewaring. De beroepsgrond faalt derhalve. In dit geconstateerde gebrek ligt geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 20231.

7. Eiser stelt tot slot aan dat verweerder had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser voert hiertoe aan dat hij eigenlijk niet in Nederland wilde zijn en dat hij hier maar kort verbleef toen hij werd door de politie werd aangetroffen. Hij was op doorreis, wil zelfstandig Nederland verlaten en daarom had verweerder kunnen volstaan met het opleggen van een meldplicht.

8. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet wordt volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de bewaringsmaatregel en de motivering daarvan volgt immers dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Een lichter middel biedt daardoor geen garantie dat eiser Nederland ook daadwerkelijk zal verlaten. De beroepsgrond slaagt niet.

1. ECLI:NL:RVS:2023:4180.

9. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.2 Op grond van de stukken en wat op zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.

2. ECLI:EU:C:2022:858.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

29 december 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.J.A. Schaaf

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand