ECLI:NL:RBDHA:2023:21710

ECLI:NL:RBDHA:2023:21710, Rechtbank Den Haag, 28-11-2023, 23/1415

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-11-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/1415
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2024:2716
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903 BWBR0002979

Samenvatting

Eiser stelt dat hij zwaar is mishandeld door zijn oom en tante en heeft daarom een aanvraag gedaan om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Verweerder heeft deze aanvraag mogen afwijzen omdat er te weinig objectieve informatie is over de aanleiding, toedracht en omstandigheden van het geweldsmisdrijf. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven

(gemachtigde: mr. A.S.R. Bisesser-Chigharoe).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: het Schadefonds).

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 6 september 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 januari 2023 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser stelt dat er op 9 januari 2022 een incident heeft plaatsgevonden waarbij hij zwaar is mishandeld door zijn oom en tante en heeft daarom een aanvraag gedaan om een uitkering uit het Schadefonds. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf en heeft de aanvraag om die reden afgewezen. Volgens verweerder is er te weinig objectieve informatie over de aanleiding, toedracht en omstandigheden van het geweldsmisdrijf.

Wat vindt eiser in beroep?

Eiser voert aan dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd misdrijf, omdat hij voldoende objectieve informatie heeft overgelegd. Hij wijst op de afgelegde verklaring van zijn neef bij de politie, waaruit volgt dat eiser is aangevallen door zijn oom en tante. Zulks wordt volgens eiser ook onderkend in de beschikking van het gerechtshof in de artikel 12 sv-procedure die hij was gestart om vervolging na eerder sepot alsnog af te dwingen. Eiser betwist dat hij als eerste geweld heeft gebruikt en wijst erop dat hij letsel heeft opgelopen. Daarbij is eiser niet in staat gesteld voorafgaand aan het bestreden besluit kennis te nemen van stukken waar verweerder wel kennis van heeft genomen. Dat is in strijd met de goede procesorde. Tot slot blijkt uit de sepotbrieven van het Openbaar Ministerie niet dat eiser enig aandeel heeft gehad in het ontstaan van het incident.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

De rechtbank stelt voorop dat een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven een financiƫle tegemoetkoming is die gefinancierd wordt uit belastinggeld en een uiting is van solidariteit van de samenleving met het slachtoffer. Verweerder dient deze uitkering te kunnen verantwoorden. De uitoefening van deze bevoegdheid toetst de bestuursrechter terughoudend. Voor een uitkering moet aannemelijk zijn dat er opzettelijk een geweldsmisdrijf is gepleegd. Van belang daarbij is de inhoud van de aangifte en het strafrechtelijk onderzoek dat daarop volgt. De aanvraag wordt afgewezen wanneer de opgave van het slachtoffer onvoldoende is onderbouwd met objectieve aanwijzingen. Een eigen verklaring van het slachtoffer is onvoldoende voor het vaststellen van de aannemelijkheid en moet worden ondersteund met objectieve informatie.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser in redelijkheid heeft kunnen afwijzen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het slachtoffer is geworden van een opzettelijk geweldsmisdrijf. Verweerder wordt gevolgd in zijn stelling dat de verklaring van eiser niet wordt ondersteund door (onafhankelijke) getuigenverklaringen. Verder heeft verweerder uit de beschikbare informatie mogen concluderen dat hieruit niet duidelijk valt af te leiden wat er is gebeurd en wie is begonnen met het gebruik van geweld, nu alle betrokkenen hier een andere lezing over hebben. In dat kader heeft verweerder er op goede gronden op gewezen dat uit de verklaring van de neef van eiser blijkt dat eiser de agressor was. Ook de beslissing van het gerechtshof in de door eiser gestarte artikel 12 sv-procedure geeft geen duidelijkheid over de aanleiding, toedracht en omstandigheden van het geweldsincident. Afgezien van het feit dat door het gerechtshof is besloten om de betrokkenen niet alsnog te vervolgen, blijkt ook hieruit dat eiser zelf zich niet onbetuigd heeft gelaten en dat de causaliteit tussen de gedragingen en het gestelde letsel moeilijk is vast te stellen.

Voor zover eiser stelt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de goede procesorde door verschillende stukken buiten het dossier te houden, overweegt de rechtbank dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre hij hier nadeel van heeft ondervonden.

Dit betekent dat verweerder de aanvraag van eiser om uitkering uit het Schadefonds mocht afwijzen. Dit betekent overigens niet dat het geweldsmisdrijf niet heeft plaatsgevonden.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen uitkering uit het Schadefonds krijgt. Verder is er geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2023.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.J.P. Bosman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?