[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: [naam 1] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 6 december 2022 op de bezwaren van eiseres tegen de naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting met aanslagvolgnummers Y.2.95002 (SGR 23/507), Y.2.95003 (SGR 23/508), Y.2.95004 (SGR 23/509) en Y.2.95005 (SGR 23/510). De rechtbank heeft het beroep gesplitst in bovenvermelde zaaknummers.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2023.
Namens eiseres is [naam 2] verschenen, verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] en mr. [naam 4] .
Beslissing
De rechtbank:
Overwegingen
1. Eiseres is blijkens de kentekenregistratie vanaf 19 februari 2019 houder van een handelaarskenteken als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (het handelaarskenteken). In de bedrijfsvoorraad van de onderneming van eiseres is van 19 mei 2022 tot 13 juni 2022 een Peugeot, type 206 met het kenteken [kenteken] (de auto) opgenomen.
2. De auto is op 23 mei 2022 verkocht, maar eiseres heeft verzuimd het kenteken op naam van de koper te zetten.
3. Op 26 en 31 mei 2022 en op 3, 6 en 10 juni 2022 is geconstateerd dat met de auto gebruik is gemaakt van de openbare weg zonder dat de auto was voorzien van handelaarskentekenplaten. Naar aanleiding hiervan zijn de volgende naheffingsaanslagen opgelegd:
4. Verweerder heeft eiseres bij brief van 13 juni 2022 op de hoogte gesteld van zijn voornemen naheffingsaanslag 1 en de daarmee samenhangende verzuimboete op te leggen. Eiseres heeft hierop de auto alsnog op 13 juni 2022 op naam van de koper gezet. In haar brief aan verweerder van 13 juni 2022 heeft eiseres een en ander toegelicht. Bij deze brief heeft eiseres de verkoopfactuur van de auto, het betalingsbewijs en het vrijwaringsbewijs gevoegd.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat naheffingsaanslag 1 en de daarmee samenhangende verzuimboete terecht aan eiseres zijn opgelegd. Wel is in geschil of de naheffingsaanslagen 2 tot en met 5 terecht aan eiseres zijn opgelegd. Eiseres stelt dat het opleggen van in totaal vijf aanslagen buitenproportioneel is omdat zij worden veroorzaakt door een enkele vergissing. Pas toen zij het voornemen voor naheffingsaanslag 1 ontving, kwam zij er achter dat de auto per abuis niet direct bij de verkoop op naam van de koper was gesteld.
6. Voor auto’s die tot de bedrijfsvoorraad horen, kent de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) de zogenoemde handelaarsregeling. De motorrijtuigenbelasting wordt daarbij niet geheven voor het houden van een motorrijtuig, maar ter zake van het handelaarskenteken. Voor toepassing van de handelaarsregeling moet worden voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden (de voorwaarden). Volgens de voorwaarden moet bij het gebruik van een auto die tot de bedrijfsvoorraad behoort het handelaarskenteken worden gebruikt en moeten de handelaarskentekenplaten daarbij op de daartoe bestemde plaats zijn aangebracht aan de voor- en de achterkant van de auto.
7. Als met een auto uit een bedrijfsvoorraad gebruik wordt gemaakt van de openbare weg zonder dat is voldaan aan de voorwaarden, kan de motorrijtuigenbelasting worden nageheven. In een dergelijk geval wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto ten tijde van de controles nog opgenomen was in de bedrijfsvoorraad van de onderneming van eiseres en dat toen op de auto geen handelaarskentekenplaten waren bevestigd. Verweerder heeft de naheffingsaanslagen in beginsel dan ook kunnen en mogen opleggen.
8. De handelaarsregeling is een begunstigende regeling en naar de aard daarvan dienen de daaraan gestelde voorwaarden strikt te worden toegepast. Zoals uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet MRB blijkt is de strekking van artikel 69, tweede lid van de Wet MRB het voorkomen van misbruik van de regeling.
9. In onderhavig geval staat vast dat de auto op 23 mei 2022 is verkocht en materieel dus geen deel meer uitmaakte van de bedrijfsvoorraad van eiseres. Ook staat vast dat eiseres zodra zij op de hoogte kwam van het feit dat het kenteken per abuis niet was overgeschreven, zij dit alsnog in orde heeft gemaakt. Weliswaar is aldus formeel niet voldaan aan de voorwaarden, maar niet gesteld kan worden dat sprake is van misbruik van de handelaarsregeling. De rechtbank acht verder aannemelijk dat wanneer eiseres eerder op de hoogte zou zijn gekomen van haar vergissing, zij die vergissing ook eerder zou hebben hersteld. Tussen de eerste signalering op 26 mei 2022 en het voornemen tot naheffing van 13 juni 2022 is een periode van 17 dagen verstreken. Niet valt in te zien waarom dit niet binnen een periode van ten hoogste 10 dagen zou hebben gekund. Verder merkt de rechtbank op dat de voornemens voor het opleggen van de naheffingsaanslagen zijn verzonden op een moment dat verweerder reeds op de hoogte was van de verkoop van de auto en kennis had genomen van het bewijs van die verkoop. Al het voorgaande gezamenlijk in aanmerking nemend, heeft de rechtbank aanleiding gegeven de naheffingsaanslagen 4 en 5 te vernietigen. Daarbij neemt de rechtbank ook in ogenschouw dat in artikel 69 van de Wet MRB staat dat belasting kan worden nageheven en dat verweerder dus niet verplicht is voor iedere signalering daadwerkelijk een naheffingsaanslag op te leggen.
10. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen met de zaaknummers SGR 23/509 en SGR 23/510 gegrond verklaard.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.133 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 296 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).