[naam] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. A.M. Luigjes).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buiten behandelingstelling van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Tadzjiekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 5 maart 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 juli 2024 deze aanvraag buiten behandeling gesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
3. Uit het dossier volgt dat de minister de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld, omdat uit informatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers en ook uit informatie van de korpschef van regionaal politiekorps Midden-Nederland blijkt dat eiser op 8 september 2023 met onbekende bestemming is vertrokken, terwijl niet is gebleken dat hij een geldige reden had voor het zonder toestemming (tijdelijk) vertrekken. Verder blijkt uit informatie van de Koninklijke Marechaussee dat eiser op 23 februari 2024 van Amsterdam naar Turkije is gereisd, in Istanbul is geweigerd en op 25 februari 2024 Nederland weer is ingereisd met een geldig Oekraïens paspoort. Uit deze informatie blijkt ook dat eiser weer in Nederland is toegelaten omdat hij hier nog een asielprocedure had lopen (in hoger beroep). De minister heeft bericht dat eiser zich na de melding dat hij met onbekende bestemming is vertrokken en ook na zijn inreis in februari 2024 niet weer heeft gemeld bij een instantie van de Nederlandse autoriteiten in verband met de behandeling van zijn asielaanvraag.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
5. De rechtbank overweegt dat eiser in de zienswijze heeft toegelicht dat eiser naar Oekraïne was gegaan om zijn verblijfsrecht in dat land veilig te stellen en om vervolgens de Oekraïense nationaliteit te verkrijgen. Ook heeft hij in de zienswijze naar voren gebracht dat hij dacht dat de Nederlandse instanties op de hoogte waren via de door hem en zijn vrouw aan het COA verstrekte informatie.
De rechtbank overweegt verder dat de gemachtigde van eiser in de gronden van beroep van 6 augustus 2024 heeft aangegeven dat hij via eisers vrouw met eiser in contact staat, dat eiser heeft aangegeven dat hij bescherming nodig heeft en dat hij daarom belang heeft bij de procedure. De gemachtigde van eiser heeft in de gronden van beroep ook aangegeven dat hij eisers vrouw op korte termijn spreekt en de rechtbank dan nader zal kunnen informeren.
De rechtbank stelt vast dat eisers gemachtigde de rechtbank nadien geen informatie meer heeft verstrekt. Ook zijn eiser en zijn gemachtigde niet ter zitting van de rechtbank verschenen.
Nu er niet is gebleken van rechtstreeks contact tussen eiser en zijn gemachtigde, eiser al een jaar geleden met onbekende bestemming is vertrokken en er geen recente informatie is over eisers verblijfsplaats, terwijl na de gronden van beroep geen nadere informatie is gegeven en eiser ook niet ter zitting is verschenen, kan er naar het oordeel van de rechtbank van worden uitgegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de eerder in Nederland gezochte bescherming en daarmee op een beoordeling van zijn beroep.
Conclusie en gevolgen
6. Eiser heeft geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep tegen het bestreden besluit. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.J.C. ten Hoopen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.