[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. M.M. Luik).
Inleiding 1.In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989. Hij heeft op 26 januari 2021 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 4 november 2021 afgewezen als ongegrond. De staatssecretaris heeft dit besluit op 7 december 2021 ingetrokken. In het bestreden besluit van 14 april 2022 heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiser opnieuw afgewezen als ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep op 8 november 2022 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
De rechtbank heeft het onderzoek naar aanleiding van het nieuw in beroep aangevoerde asielmotief over (de gevolgen van) de presentatie van eiser voor de Nigeriaanse autoriteiten op 8 december 2022 heropend en de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld dit asielmotief te beoordelen. De staatssecretaris heeft deze beoordeling op 2 februari 2023 verricht. Eiser heeft hier op 20 februari 2023 op gereageerd.
Vervolgens heeft de rechtbank aan partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet nogmaals behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenaamde beroepsgronden.
Het asielrelaas van eiser
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is in 2015 lid geworden van de Indigenous People of Biafra (IPOB), een organisatie die in de negatieve aandacht van de Nigeriaanse autoriteiten staat en sinds 2017 door deze autoriteiten is aangemerkt als terroristische organisatie. Eiser heeft bij de IPOB deelgenomen aan vergaderingen, artikelen geschreven en deelgenomen aan demonstraties. Eiser vertrok in 2017 naar Italië om een priestersopleiding te volgen, maar keerde in 2019 terug naar Nigeria. Hij ontmoette daar op een markt, toen hij een reistas wilde kopen, een oud-lid van de IPOB dat was overgelopen naar de Nigeriaanse overheid. Deze man probeerde eiser over te halen zijn lidmaatschap voor de IPOB te beëindigen. Omdat eiser dat niet wilde, heeft dit oud-lid eisers naam doorgegeven aan de Nigeriaanse autoriteiten. Vlak na deze ontmoeting, toen eiser alweer was vertrokken naar Italië, zijn er drie keer militairen bij het huis van de moeder van eiser geweest om eiser te zoeken, voor het laatst in juli 2021. Eiser vreest bij terugkeer door de Nigeriaanse autoriteiten te worden gearresteerd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas bevat volgens de staatssecretaris de volgende relevante elementen: (1) identiteit, nationaliteit en herkomst, (2) lidmaatschap en activiteiten voor IPOB en (3) problemen vanwege lidmaatschap van en activiteiten voor de IPOB.
De staatssecretaris heeft element 1 geloofwaardig geacht. De staatssecretaris heeft de elementen 2 en 3 niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft de ongeloofwaardigheid van de elementen 2 en 3 in beroep bestreden.
Leeswijzer
5. De rechtbank bespreekt eerst de beroepsgronden die gaan over de geloofwaardigheid van het lidmaatschap van de IPOB en de activiteiten die eiser voor deze organisatie stelt te hebben verricht (het tweede element). Daarna volgt een bespreking van de beroepsgronden die betrekking hebben op de geloofwaardigheid van de problemen die hieruit volgens eiser zijn voortgevloeid (het derde element). De rechtbank sluit af met de beroepsgrond over de presentatie van eiser voor de Nigeriaanse ambassade.
Mocht de staatssecretaris het lidmaatschap en de activiteiten voor de IPOB (het tweede asielelement) ongeloofwaardig achten?
6. Eiser betoogt dat de staatssecretaris het tweede asielelement over het lidmaatschap van de IPOB en de activiteiten die hij voor deze organisatie heeft verricht ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden.
Deelname van eiser aan de demonstratie van 20 oktober 2015
7. Eiser betoogt dat de staatssecretaris de artikelen die hij over de demonstratie heeft ingebracht, onvoldoende in de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. Dat de inhoud van deze artikelen niet overeenkomt met de verklaringen van eiser uit het nader gehoor, hoort niet voor rekening en risico van eiser te komen. Volgens eiser had de staatssecretaris zelf, dus op eigen initiatief, nader onderzoek moeten doen naar de feiten over deze demonstratie. Daarom is de beoordeling verricht in strijd met de externe geloofwaardigheidsindicatoren.
Uit de Werkinstructie 2014/10 volgt dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de geloofwaardigheid de verklaringen van de vreemdeling beoordeelt tegen de achtergrond van bewijsmiddelen die door de vreemdeling zelf zijn overgelegd (de zogenoemde interne geloofwaardigheidsindicatoren) en de bewijsmiddelen van derden en algemene landeninformatie (de zogenoemde externe geloofwaardigheidsindicatoren).
De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat, hoewel dit explicieter had kunnen worden weergegeven, uit het voornemen, waarvan de inhoud onderdeel vormt van het bestreden besluit, blijkt dat de verklaringen van eiser eerst zijn beoordeeld tegen de achtergrond van de artikelen die hij heeft overgelegd en daarna wel degelijk is gekeken naar externe informatiebronnen. Op de zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat specifiek is gekeken naar informatie van het UK Home Office en twee ambtsberichten over Nigeria uit 2020 en 2021. De rechtbank volgt dit standpunt van de staatssecretaris. De rechtbank ziet daarom geen reden voor de conclusie dat de staatssecretaris in de geloofwaardigheidsbeoordeling geen externe geloofwaardigheidsindicatoren heeft betrokken. Uit de door eiser aangehaalde rechtspraak volgt niet dat de staatssecretaris ander of uitgebreider onderzoek had moeten doen. De staatssecretaris stelt zich daarom niet ten onrechte op het standpunt dat eiser de demonstratie weliswaar met artikelen aannemelijk heeft gemaakt, maar dat deze artikelen inhoudelijk niet met zijn eigen verklaringen overeenkomen. Het betoog slaagt niet.
8. Eiser heeft in beroep ook nog gewezen op diverse artikelen, Facebook-berichten en YouTube-video’s over de demonstratie op 20 oktober 2015. Volgens eiser volgt uit deze artikelen, berichten en video’s dat tijdens de demonstratie geweld is gebruikt tegenover deelnemers en dat er een groot aantal deelnemers is geweest.
De staatssecretaris stelt zich hierover niet ten onrechte op het standpunt dat de overgelegde artikelen en berichten geen betrekking hebben op de demonstratie van 20 oktober 2015, maar op een andere demonstratie. Daarom valt niet in te zien in hoeverre deze artikelen en berichten bijdragen aan de overwegingen in het bestreden besluit of daaraan afbreuk doen. De staatssecretaris stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat niet valt vast te stellen of de YouTube-video’s betrekking hebben op de demonstratie van 20 oktober 2015, omdat dit niet in de video’s wordt vermeld. Het betoog slaagt niet.
Kennis van eiser over de IPOB
9. Eiser betoogt dat de staatssecretaris zijn gedetailleerde kennis over de IPOB onvoldoende heeft onderkend. Eiser heeft laten zien dat hij veel weet over de leiding, de oprichting, de activiteiten en de demonstraties van de IPOB en heeft veel persoonlijke ervaringen en gevoelens aan zijn verklaringen toegevoegd. Deze kennis is ook terug te vinden in algemene landeninformatie en Facebook-berichten. Door aan deze kennis onvoldoende waarde te hechten, heeft de staatssecretaris de geloofwaardigheidsbeoordeling verricht in strijd met de interne en externe geloofwaardigheidsindicatoren.
Dit betoog slaagt niet. De staatssecretaris stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser ruim en soms gedetailleerd verklaart, maar dat eiser niet meer heeft kunnen verklaren dan uit algemene landeninformatie blijkt. Daarnaast heeft de staatssecretaris niet ten onrechte gesteld dat de Facebook-berichten van eiser zelf afkomstig zijn, waardoor deze ten opzichte van de verklaringen van eiser geen toegevoegde waarde hebben. Gelet op het feit dat eiser stelt lid te zijn van de IPOB en mee te hebben geholpen met demonstraties, mag van eiser verwacht worden dat hij uitgebreider kan verklaren.
Verklaringen [persoon A] en [persoon B]
10. Eiser betoogt verder dat de staatssecretaris onvoldoende waarde heeft gehecht aan de overgelegde verklaringen van [persoon A] en [persoon B] . Het is volgens eiser een ontoelaatbare cirkelredenering dat deze verklaringen ongeloofwaardig zijn omdat de eigen verklaringen van eiser ook ongeloofwaardig zijn. De staatssecretaris had verder niet zonder nader (eigen) onderzoek mogen tegenwerpen dat niet kan worden vastgesteld of de verklaringen ook echt door [persoon A] en [persoon B] zijn geschreven, maar had dat zelf moeten nagaan. Daarnaast mocht de staatssecretaris niet tegenwerpen dat de verklaringen elementen van het asielrelaas herhalen. Dat valt immers te verklaren doordat eiser in een negatief daglicht is komen te staan, waardoor [persoon A] en [persoon B] informatie over eiser te weten kunnen zijn gekomen.
Op zichzelf genomen volgt de rechtbank de stelling van eiser dat het een cirkelredenering is dat de overgelegde verklaringen van [persoon A] en [persoon B] ongeloofwaardig zijn omdat de verklaringen van eiser zelf ongeloofwaardig zijn. De staatssecretaris heeft op de zitting echter voldoende toegelicht dat hiermee is bedoeld dat de verklaringen van eiser zelf al zodanig ongeloofwaardig zijn dat de verklaringen van [persoon A] en [persoon B] de geloofwaardigheidsbeoordeling vervolgens niet in het voordeel van eiser doen uitvallen. Daarnaast stelt de staatssecretaris niet ten onrechte dat de verklaringen van [persoon A] en [persoon B] niet verifieerbaar zijn en op verzoek van eiser zijn opgesteld. Ook bevatten de verklaringen veel feitelijkheden uit het asielrelaas van eiser, zodat dit ook afbreuk doet aan de waarde die aan de verklaringen kan worden gehecht. Het in beroep overgelegde identiteitsbewijs van [persoon B] maakt dat niet anders, omdat dit identiteitsbewijs de twijfel over de inhoud van de verklaring niet wegneemt. De rechtbank ziet verder niet in waaruit volgt dat de onderzoeks- en samenwerkingsplicht zo ver zou reiken dat de staatssecretaris zelf onderzoek had moeten doen naar de identiteit van de opstellers van de verklaringen, zoals eiser heeft gesteld. Het betoog slaagt dus niet.
(Opnieuw) publiceren van artikelen
11. Eiser betoogt dat het de staatssecretaris ten onrechte bevreemdt dat hij risico’s wilde nemen door artikelen voor de IPOB te publiceren, gelet op de algemene landeninformatie en eigen ervaring van eiser dat IPOB-leden worden gearresteerd en gedood. Politiek actief zijn voor de IPOB brengt volgens eiser nu eenmaal risico’s met zich. Dat eiser dit risico voor lief neemt, is niet vreemd: de leider van de IPOB nam dat risico ook. In het verlengde hiervan betoogt eiser dat de staatssecretaris ten onrechte tegenwerpt dat hij speciaal voor de asielprocedure artikelen opnieuw heeft laten publiceren. Uit de verklaring van [persoon A] blijkt dat eiser actief was voor de mediagroep van de IPOB en bovendien gaan de artikelen over gebeurtenissen van enkele jaren terug, waardoor aannemelijk is dat zij destijds zijn geschreven.
Dit betoog slaagt niet. De staatssecretaris stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het bevreemdt dat eiser voor de IPOB artikelen onder eigen naam en foto heeft gepubliceerd. Uit algemene landeninformatie blijkt immers dat de Nigeriaanse autoriteiten geweld gebruikten tegen IPOB-demonstraties en dat in eisers woonplaats tussen oktober 2015 en januari 2016 verschillende mensen zijn aangeklaagd voor Biafra-activiteiten. Daarnaast heeft eiser zelf verklaard dat de IPOB sinds 2017 is aangemerkt als terroristische organisatie. Om die reden valt niet in te zien waarom eiser het risico zou nemen om met naam en foto namens IPOB op de voorgrond te treden. Het enkele feit dat de leider van de IPOB dat risico durft te nemen, maakt niet zonder meer dat eiser ook dergelijke risico’s zou kunnen of willen nemen. Van eiser mag worden verwacht dat hij inzichtelijker maakt waarom hij bereid is voor de IPOB risico’s te nemen. De staatssecretaris vindt niet ten onrechte dat eiser dat inzicht niet heeft gegeven. De staatssecretaris stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat het lijkt alsof eiser speciaal voor zijn asielprocedure artikelen opnieuw heeft laten publiceren. Dat eiser actief was voor de mediagroep van de IPOB en deze artikelen enkele jaren terug heeft geschreven, zegt niets over de vraag wanneer de artikelen (oorspronkelijk) zijn gepubliceerd en ook niets over de vraag waarom eiser de artikelen opnieuw heeft laten publiceren.
Mocht de staatssecretaris de dood van [persoon C] onvoldoende aangetoond achten?
12. Het betoog van eiser dat de staatssecretaris niet mocht tegenwerpen dat hij de dood van [persoon C] , ook lid van het mediateam van IPOB, niet aannemelijk heeft gemaakt, slaagt niet. De staatssecretaris stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het wel degelijk voor de hand zou liggen dat leden van de IPOB, zoals leden van het mediateam, ruchtbaarheid zouden geven aan de dood van een vooraanstaand lid. Dat de Nigeriaanse autoriteiten moordpartijen actief zouden toedekken en het vinden van bewijsmateriaal voor zijn dood hierdoor wordt bemoeilijkt, leidt daarom niet tot een ander oordeel.
Conclusie
13. De staatssecretaris heeft het tweede asielelement over het lidmaatschap van de IPOB en de activiteiten die hij voor deze organisatie heeft verricht niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden.
Mocht de staatssecretaris de problemen als gevolg van het lidmaatschap van de IPOB (het derde asielelement) ongeloofwaardig achten?
14. Eiser betoogt dat de staatssecretaris het derde asielelement over de problemen die hij in Nigeria heeft ondervonden vanwege zijn IPOB-lidmaatschap en -activiteiten ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden.
Ontmoeting met en ontsnapping van [persoon D]
15. Eiser voert in dat verband aan dat de staatssecretaris ten onrechte tegenstrijdigheden over de ontmoeting met [persoon D] heeft tegengeworpen. Deze tegenstrijdigheden zijn volgens eiser te wijten aan het verloop van het nader gehoor. Tijdens het nader gehoor waren er technische problemen en is aan eiser gevraagd om zijn asielrelaas niet te gedetailleerd te vertellen. Eiser heeft hiervan aantekening gemaakt in de correcties en aanvullingen, maar de staatssecretaris heeft daar onvoldoende acht op geslagen.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank ziet geen reden voor het oordeel dat de tegenstrijdige verklaringen het gevolg zijn van technische problemen tijdens het nader gehoor, onderbrekingen tijdens het gehoor doordat de tolk werd gebeld en de vraag van de gehoormedewerker minder gedetailleerd te verklaren. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat tijdens de beantwoording van de vragen over de ontmoeting met [persoon D] geen melding is gemaakt van technische problemen, het gehoor niet werd onderbroken en ook niet door de gehoormedewerker is gevraagd korter te verklaren. Bovendien heeft eiser in de correcties en aanvullingen op dit specifieke punt geen melding gemaakt van technische problemen of onderbrekingen, terwijl dat in voorkomend geval wel van hem mocht worden verwacht. De staatssecretaris werpt daarom niet ten onrechte tegen dat eiser over de ontmoeting met [persoon D] tegenstrijdig heeft verklaard.
16. Het betoog van eiser dat de staatssecretaris in het bestreden besluit onvoldoende heeft gereageerd op zijn toelichting waarom de ontmoeting met [persoon D] toevallig was en waarom hij van deze persoon heeft kunnen ontsnappen, slaagt niet. De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit gemotiveerd toegelicht waarom de zienswijze van eiser op dit punt niet tot een ander besluit leidt. Eiser heeft in beroep niet toegelicht waarom deze toelichting (inhoudelijk) onjuist zou zijn, maar verwijst slechts naar de zienswijze en zijn eerdere reacties.
17. Eiser heeft in beroep verder gewezen op verschillende Facebook-berichten van hem waaruit zou blijken dat [persoon D] door een advocaat van IPOB wordt genoemd als persoon die andere IPOB-leden bij de autoriteiten aangeeft. De staatssecretaris stelt zich over deze berichten niet ten onrechte op het standpunt dat deze geen afbreuk doen aan de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van eiser, omdat de Facebook-berichten van eiser zelf afkomstig zijn. Bovendien is met deze berichten niet aangetoond dat eiser zelf door [persoon D] bij de autoriteiten is aangegeven.
Legaal in- en uitreizen
18. Eiser betoogt dat de staatssecretaris niet mag tegenwerpen dat hij legaal in en uit Nigeria is gereisd. Eiser is in 2019 vanuit Italië teruggekeerd naar Nigeria, omdat zijn opleiding in Italië niet beviel. Dit volgt volgens eiser uit de overgelegde verklaring van de rector van het seminarie St. Willibrord in Heiloo. Eiser stelt dat hij toen nog niet vreesde voor de Nigeriaanse autoriteiten, omdat hij nog niet afwist van de actuele situatie en niet wist of hij bekend stond als lid van de IPOB. Omdat hij wel al angst had dat dit het geval zou zijn, trof hij voorzorgsmaatregelen door niet naar zijn eigen state terug te keren. Eiser had in theorie asiel kunnen vragen in Italië, maar had zijn asielverzoek daar nog niet voldoende kunnen onderbouwen.
Voor zover eiser met de overgelegde verklaring van de rector van het seminarie aannemelijk heeft willen maken waarom hij uit Italië is vertrokken, overweegt de rechtbank dat de reden voor het vertrek van eiser uit Italië tussen partijen niet in geschil is. Het gaat om de vraag of de staatssecretaris mag tegenwerpen dat eiser vervolgens is teruggereisd naar Nigeria zonder door de Nigeriaanse autoriteiten te zijn gearresteerd. Naar het oordeel van de rechtbank werpt de staatssecretaris niet ten onrechte tegen dat eiser, gegeven zijn gestelde vrees voor de Nigeriaanse autoriteiten, terugkeert naar Nigeria en daarbij legaal met zijn eigen paspoort reist. De staatssecretaris stelt niet ten onrechte dat het voor de hand had gelegen om in Italië om internationale bescherming te verzoeken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij in 2019 nog niet vreesde voor de autoriteiten, maar slechts voorzichtig was gelet op zijn lidmaatschap van de IPOB. Dat staat immers haaks op zijn verklaring in het nader gehoor dat hij in 2017 al vreesde voor de autoriteiten, omdat zij toen al jonge mensen arresteerden. Voor zover eiser hiermee heeft bedoeld dat hij ‘angst’ (en geen ‘vrees’) voor de autoriteiten had, valt niet in te zien waarin ‘angst’ voor de autoriteiten zich onderscheidt van ‘vrees’ voor de autoriteiten en waarom eiser ondanks deze gestelde angst toch op legale wijze terugkeert naar Nigeria. Het betoog slaagt niet.
Reistas
19. Het betoog van eiser dat het kopen van een reistas op een markt in Nigeria, anders dan de staatssecretaris stelt, geen groot risico vormde en dus geen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas, slaagt niet. De staatssecretaris stelt niet ten onrechte dat het niet voor de hand ligt dat eiser zich in het openbaar op een markt vertoont als hij vreest voor de Nigeriaanse autoriteiten. Dat niemand de verblijfplaats van eiser kende, maakt dit niet anders. Dat laat immers onverlet dat de autoriteiten ook op de markt aanwezig hadden kunnen zijn en eiser daar hadden kunnen herkennen.
Conclusie
20. De staatssecretaris heeft het derde asielelement over de problemen die hij in Nigeria heeft ondervonden vanwege zijn IPOB-lidmaatschap en -activiteiten niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden.
Mocht de staatssecretaris overwegen dat niet aannemelijk is dat de Nigeriaanse autoriteiten eiser een politieke overtuiging toedichten?
21. Eiser betoogt dat de Nigeriaanse autoriteiten hem een politieke overtuiging zullen toedichten. Eiser is hangende dit beroep gepresenteerd voor ambtenaren van de Nigeriaanse ambassade. Tijdens deze presentatie heeft eiser op een vraag over zijn asielaanvraag geantwoord dat hij heeft deelgenomen aan protesten en dat hij lid is van de IPOB. Hierdoor is het aannemelijk dat de Nigeriaanse autoriteiten op de hoogte zijn van het IPOB-lidmaatschap van eiser en in ieder geval van zijn deelname aan protesten die in Nigeria uiterst gevoelig liggen, waardoor zij hem een politieke overtuiging zullen toedichten. De Dienst Terugkeer en Vertrek heeft vóór de presentatie benadrukt dat eiser moest meewerken aan de presentatie en heeft niet verhinderd dat eiser tijdens de presentatie informatie over zijn asielrelaas heeft gegeven, terwijl de beroepsprocedure over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser nog liep. Hierdoor hoort het prijsgeven van informatie over het asielrelaas voor rekening en risico van de staatssecretaris te komen.
Dit betoog slaagt niet. Op zichzelf genomen voert eiser terecht aan dat het zeer onzorgvuldig is dat de staatssecretaris hem al presenteert voor de Nigeriaanse autoriteiten, terwijl de rechtbank nog een oordeel moet geven over (de rechtmatigheid van) de afwijzing van zijn asielaanvraag. Het instellen van beroep heeft immers geleid tot opschorting van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. De staatssecretaris stelt zich echter terecht op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat de Nigeriaanse autoriteiten eiser vanwege de presentatie een politieke overtuiging zullen toedichten. Uit het gespreksverslag van de presentatie volgt dat eiser alleen heeft verklaard dat hij gevaar loopt vanwege zijn deelname aan protesten. De staatssecretaris merkt terecht op dat het deelnemen aan protesten in Nigeria als zodanig niet strafbaar is. Het is niet gebleken dat eiser tijdens de presentatie heeft verklaard dat hij lid is van de IPOB, dat de protesten werden georganiseerd door de IPOB of dat hij voor de Nigeriaanse autoriteiten vreest. Aan eiser kan worden toegegeven dat het verslag geen woordelijke weergave van de presentatie is, maar de rechtbank ziet in de enkele stelling van eiser dat hij méér heeft verklaard dan in het gespreksverslag is vermeld, geen reden om aan de inhoud van het gespreksverslag te twijfelen. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat de Nigeriaanse autoriteiten hem door de presentatie een politieke overtuiging zullen toedichten.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser mocht afwijzen als ongegrond en eiser geen verblijfsvergunning krijgt. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr.S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.