[eiseres 1], eiseres 1;
V-nummer: [nummer]
[eiser 1] , eiser 1;
V-nummer:[nummer]
[eiseres 2] , eiseres 2;
V-nummer: [nummer]
[eiser 2] , eiser 2;
V-nummer: [nummer]
[eiser 3] , eiser 3;
V-nummer: [nummer]
samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M. Grigorjan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: [naam]).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van de definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen (de Regeling).
De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 1 oktober 2019 afgewezen. Met het besluit van 3 december 2020 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen de afwijzing ongegrond verklaard.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eisers zijn wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris.
De rechtbank heeft aan het einde van de zitting het beroep aangehouden om de staatssecretaris de gelegenheid te geven om te reageren op het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel.
De staatssecretaris heeft op 21 april 2022 een reactie ingediend. Eisers hebben hierop op 12 mei 2022 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Wat aan het bestreden besluit voorafging
2. Eiseres 1 ([eiseres 1]) is geboren op [geboortedatum] 2006 en heeft de Armeense nationaliteit. Eiser 1 en eiseres 2, zijn de vader ([eiser 1], geboren op [geboortedatum] 1981) en moeder ([eiseres 2], geboren op [geboortedatum] 1983) van [eiseres 1]. Eisers 3 en 4 ([naam], geboren op [geboortedatum] 2010 en [eiser 3], geboren op [geboortedatum] 2014) zijn de broertjes van [eiseres 1]. Ook zij hebben de Armeense nationaliteit.
3. De asielaanvraag van de ouders van [eiseres 1] is afgewezen. Daarna hebben zij enkele keren om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) gevraagd. Die verzoeken zijn, op één na, afgewezen.
4. Eisers verbleven tot 1 augustus 2016 in de opvang van het COa. Op 1 augustus 2016 hebben eisers op eigen initiatief de opvang verlaten en zijn zij door de DT&V en het COa ‘met onbekende bestemming’ (MOB) gemeld. Hun aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 liep op dat moment nog, maar die procedure is geëindigd op 21 september 2016.
5. Op 26 januari 2017 hebben eisers opnieuw een verzoek tot uitstel van vertrek ingediend bij de staatssecretaris.
De standpunten van partijen
6. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen en die afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd. Eisers beschikken niet over een geldige machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) en volgens de staatssecretaris komen zij niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.72, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Volgens de staatssecretaris voldoen eisers niet aan de voorwaarden van de Afsluitingsregeling. Op grond van de Afsluitingsregeling worden betrokkenen vrijgesteld van het mvv-vereiste als wordt voldaan aan alle voorwaarden van die regeling en geen sprake is van contra-indicaties. Volgens de staatssecretaris zijn eisers echter van 21 september 2016 tot 26 januari 2017 en daarmee langer dan drie maanden buiten beeld van de betrokken instanties geweest (voorwaarde c) en zijn zij daarmee niet beschikbaar voor vertrek (contra-indicatie e) geweest. Daarmee hebben eisers niet voldaan aan alle voorwaarden van de Afsluitingsregeling en is sprake van een contra-indicatie. Hierdoor komen eisers volgens de staatssecretaris niet in aanmerking voor de gevraagde vergunning. Het niet toestaan aan eisers om in Nederland te blijven, is volgens de staatssecretaris niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
7. In beroep hebben eisers aangevoerd dat aan hen ten onrechte het niet voldoen aan voorwaarde c en contra-indicatie e wordt tegengeworpen. De staatssecretaris had contact met eisers via hun gemachtigde en dus is niet gebleken dat de staatssecretaris niet wist waar eisers waren of geen contact met hen kon krijgen. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 maart 2015 blijkt volgens eisers dat een vreemdeling bij het uit beeld raken bij de instanties, enkel door het beëindigen van een verblijfsprocedure, drie jaar de tijd heeft om weer in te beeld te komen bij de instanties. Volgens eisers gaat de periode van drie maanden, die volgens voorwaarde c niet mag worden overschreden, dan pas in na drie jaar. De periode dat eisers uit beeld zouden zijn geweest is veel korter dan drie jaar en dus had de staatssecretaris voorwaarde c niet aan eisers mogen tegenwerpen. Ook is er hierdoor volgens eisers geen sprake van dat zij niet beschikbaar zouden zijn geweest voor vertrek. Ook contra-indicatie e kon daarom volgens eisers niet aan hen worden tegengeworpen.
Beoordeling door de rechtbank
Zaak 2, het Azerbeidzjaanse gezin
8. In paragraaf B9/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staan de voorwaarden opgenomen voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling. In deze paragraaf is bepaald dat een vergunning wordt verleend aan de vreemdeling:
9. In paragraaf B9/6.6 van de Vc 2000 is bepaald dat de vergunning niet wordt verleend als bij de hoofdpersoon of een gezinslid op het moment van de beoordeling sprake is van de volgende contra-indicatie:
10. Uit de door eisers aangehaalde uitspraak van de Afdeling en de brief van de staatssecretaris van 27 maart 2015 blijkt dat een vreemdeling in beeld is bij de IND zolang hij een verblijfsrechtelijke procedure heeft lopen. Na afloop van die procedure gaat het toezicht over naar de DT&V. Omdat de IND en de DT&V tot hetzelfde bestuursorgaan behoren, is de vreemdeling niet meteen uit beeld als de procedure bij de IND stopt en het toezicht overgaat naar de DT&V. De vreemdeling wordt dan geacht in beeld te zijn bij de DT&V. Omdat van de vreemdeling na afloop van zijn verblijfsrechtelijke periode wel een actieve houding wordt verwacht, zal hij zich binnen een bepaalde tijd zelf weer actief moeten melden bij de DT&V als hij niets hoort. Die periode is gesteld op drie jaar. Als een vreemdeling zich na afloop van zijn verblijfsrechtelijke periode niet binnen drie jaar meldt bij de DT&V dan kan niet gezegd worden dat sprake is van een actieve houding en wordt aangenomen dat de vreemdeling buiten beeld is van de instanties. In eerste instantie ligt het toezicht dus bij de IND en dat verschuift naar de DT&V na ommekomst van de verblijfsrechtelijke procedure. De vreemdeling is dan daar in beeld. Op een gegeven moment verschuift de verantwoordelijkheid voor het in beeld blijven naar de vreemdeling en is het aan hem om zelf weer contact op te nemen met de DT&V.
11. De situatie van eisers in deze zaak is echter anders. Eisers zijn op [geboortedatum] 2016 met onbekende bestemming vertrokken uit de opvanglocatie bij het COA. Hun laatste verblijfsrechtelijke procedure is geëindigd op 21 september 2016. Uit de brief van 27 maart 2015 van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer leidt de rechtbank af dat een vreemdeling uit beeld raakt wanneer hij op eigen initiatief de opvang verlaat zonder zichzelf te melden bij of tenminste zijn nieuwe verblijfplaats door te geven aan één van de instellingen van Rijkstoezicht. Niet in geschil is dat eisers het één noch het ander hebben gedaan. In zoverre moet dus worden aangenomen dat eisers sinds 21 september 2016 bij geen enkele instantie van Rijkstoezicht (IND, COA, DT&V of AVIM) nog in beeld zijn geweest. Omdat eisers pas op 26 januari 2017 opnieuw een verblijfsprocedure zijn gestart, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers langer dan drie maanden uit beeld zijn geweest bij alle betrokken instanties.
12. In de aanvullende gronden van beroep van 19 maart 2022 hebben eisers een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Volgens eiseres is hun situatie niet anders dan die van de gevallen die bij de herbeoordeling in 2015 aanleiding zijn geweest om de kamerbrief van 27 maart 2015 op te stellen. Volgens eisers waren de vreemdelingen die destijds vanwege toepassing van de driejaarstermijn alsnog een verblijfsvergunning kregen, namelijk ook allemaal al vóór de beëindiging van de verblijfsprocedure bij de IND uit beeld geraakt van het COa en de DT&V.
13. De beroepsgrond over het gelijkheidsbeginsel slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank dat de staatssecretaris in zijn verweerschrift en schriftelijke reactie van 21 april 2022 onvoldoende concreet heeft toegelicht waarom de zaak van eisers niet vergelijkbaar is met twee van de zes zaken waar eisers zich op beroepen. De rechtbank zal daar hieronder nader op ingaan.
Zaak 1, met V-nummer [nummer] e.a.
14. Volgens eisers zijn de vreemdelingen in deze zaak, met V-nummers: [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer], net als eisers al voor het einde van de verblijfsprocedure met onbekende bestemming vertrokken. Volgens eisers eindigde de verblijfsprocedure van deze vreemdelingen op 29 maart 2012 met een uitspraak in hoger beroep. In het besluit in primo staat dat ‘van de Dienst Terugkeer en Vertrek is vernomen dat het dossier van betrokkene en haar familie op 24 juni 2011 werd afgesloten en dat zij vervolgens niet meer in beeld zijn geweest’. Volgens eisers wordt dit in het besluit op bezwaar nog eens herhaald. Hieruit blijkt volgens eisers onmiskenbaar dat de vreemdelingen al uit beeld waren bij de DT&V vóór het beëindigen van hun verblijfsprocedure.
15. Volgens de staatssecretaris is deze zaak niet vergelijkbaar van de zaak van eisers, omdat niet gesteld kan worden dat de vreemdelingen uit beeld waren bij de DT&V vóór het einde van de verblijfsprocedure. Zo is er in 2009 een LP-aanvraagproces gestart en is in 2011 telefonisch contact geweest. Volgens de staatssecretaris is de schriftelijke mededeling dat de vertrekprocedure door DT&V was beëindigd pas na het einde van de verblijfsprocedure, namelijk op 11 augustus 2014, gedaan.
16. De rechtbank volgt het standpunt van de staatssecretaris dat deze zaak niet vergelijkbaar is met de zaak van eisers. Niet is in geschil dat de verblijfsprocedure eindigde op 29 maart 2012 en ook heeft de staatssecretaris niet weersproken dat zowel in het besluit in primo als in het besluit op bezwaar staat dat van de DT&V is vernomen dat het dossier van de vreemdelingen is gesloten op 24 juni 2011. Ook is echter niet in geschil dat de schriftelijke mededeling over het sluiten van het dossier pas later, in augustus 2014, aan de vreemdelingen is verzonden. Tot die tijd hadden zij geen officieel bericht gehad dat hun vertrekdossier was gesloten. In die zin hoefden zij ook niet te vermoeden dat zij na het beëindigen van de verblijfsprocedure niet meer in beeld waren van de DT&V. In zoverre is deze zaak niet vergelijkbaar met de zaak van eisers.
17. Volgens eisers is ook deze zaak, met V-nummer: [nummer], vergelijkbaar met hun zaak. De verblijfsprocedure van de vreemdelingen eindigde op 8 december 2010. In het besluit in primo en in het besluit op bezwaar staat dat het gezin vanaf 2009 tot 29 januari 2012 uit beeld van het COa zijn geweest. De eerste vertrekprocedure werd door de DT&V afgesloten op 15 juli 2009 vanwege het zelfstandig verlaten van de woonruimte.
18. Volgens de staatssecretaris is deze zaak niet vergelijkbaar met de zaak van eisers. De vreemdelingen hebben op 10 november 2009 een verblijfsvergunning ingediend. Op 8 december 2010 is daarop beslist. Na het einde van de verblijfsprocedure werd geen overdrachtsdossier aangemaakt voor de DT&V, terwijl de vreemdelingen zich niet al tijdens de verblijfsprocedure hadden onttrokken aan het toezicht van de DT&V.
19. Ook hier volgt de rechtbank het standpunt van de staatssecretaris. Niet is in geschil dat de verblijfsprocedure van de vreemdelingen in deze zaak liep van 10 november 2009 tot 8 december 2010. In die periode waren de vreemdelingen dus in beeld bij de staatssecretaris. Dat zij sinds 2009 tot 2012 wel uit beeld waren bij het COa maakt dat niet anders. Dat op 15 juli 2009 een eerste vertrekprocedure door de DT&V werd gesloten vanwege het zelfstandig verlaten van de woonruimte doet hier ook niet aan af, nu de afsluiting van het vertrekdossier niet plaatsvond tijdens de verblijfsprocedure die liep van 10 november 2009 tot 8 december 2010. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de vreemdelingen in deze zaak langer dan drie maanden uit beeld zijn geweest bij alle instanties. Gelet daarop is deze zaak niet vergelijkbaar met de zaak van eisers.
Zaak 3, het Kazakse gezin
20. Ook deze zaak, met V-nummers: [nummer], [nummer] en [nummer], is volgens eisers vergelijkbaar met hun zaak. De vreemdelingen hadden op 17 juni 2011 een verblijfsaanvraag ingediend en die werd op 27 juni 2011 afgewezen. Op 29 september 2011 is de verblijfsprocedure geëindigd met de uitspraak in hoger beroep. Op 29 juni 2010 zijn de vreemdelingen uitgeschreven bij het COa. Volgens eisers staat in het besluit in primo van 7 augustus 2013 van deze vreemdelingen dat ‘navraag bij DT&V leert dat betrokkene en zijn familieleden bij deze instantie niet meer in beeld zijn sinds 28 juni 2011.
21. De staatssecretaris vindt deze zaak niet vergelijkbaar met de zaak van eisers. De vreemdelingen hebben bij het uitreiken van de afwijzende beschikking aangegeven dat zij bij vrienden in Ede zouden verblijven. Verder is er volgens de staatssecretaris nadat de afwijzende beschikking was uitgereikt door de IND een checklist van een overdrachtsdossier ten behoeve van een DT&V vertrekprocedure opgemaakt. Daarom is geoordeeld dat de vreemdelingen niet uit beeld waren geraakt.
22. Hier volgt de rechtbank de staatssecretaris niet. De rechtbank kan de staatssecretaris volgen waar hij zegt dat de vreemdelingen niet uit beeld zijn geraakt omdat na het einde van de verblijfsprocedure een checklist voor de vertrekprocedure bij de DT&V is gemaakt. In dat geval zouden de vreemdelingen na de verblijfsprocedure in beeld zijn gekomen van de DT&V. Bovendien wist de staatssecretaris waar de vreemdelingen verbleven nu zij hadden aangegeven bij vrienden in Ede te verblijven. Zij zijn dus niet met onbekende bestemming uit de opvang vertrokken. In de brief van Defence for Children van 12 mei 2022 zeggen eisers echter dat in het besluit in primo van deze vreemdelingen staat dat uit navraag bij de DT&V bleek dat de vreemdelingen niet meer in beeld waren bij de DT&V sinds 28 juni 2011. Hier heeft de staatssecretaris niet op gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank had het in dit geval echter op de weg van de staatssecretaris gelegen om te onderbouwen dat het Kazakse gezin nog wel in beeld was bij de instantie door bijvoorbeeld de checklist over te leggen die volgens de staatssecretaris is opgemaakt voor de vertrekprocedure bij de DT&V en waaruit zou blijken dat de vreemdelingen nog wel in beeld waren bij die instantie. Dit heeft de staatssecretaris niet gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris daarom onvoldoende onderbouwd dat de zaak van het Kazakse gezin niet vergelijkbaar is met de zaak van eiser in de hier aan de orde zijnde zaak.
Zaak 4, het Servische gezin
23. Volgens eisers is ook deze zaak met V-nummers: [nummer], [nummer] en [nummer], vergelijkbaar met hun zaak. De vreemdelingen in deze zaak waren al geruime tijd voor de beëindiging van het contact met de IND uit beeld van het COa, omdat zij uit de opvang waren vertrokken. Volgens eisers is in het dossier van de vreemdelingen niets terug te vinden over gesprekken die nog zouden hebben plaatsgevonden met de DT&V.
24. Volgens de staatssecretaris is deze zaak niet vergelijkbaar met de zaak van eisers. Na het einde van de verblijfsprocedure hebben gesprekken plaatsgevonden tussen de vreemdelingen en de DT&V. Weliswaar is tijdens die gesprekken aan de vreemdelingen medegedeeld dat de opvang door het COa zou worden beëindigd, maar toen is niet gemeld dat zij daarmee ook uit de caseload van de DT&V zouden stromen. De staatssecretaris heeft daarom aangenomen dat de vreemdelingen geen reden hadden om te denken dat zij buiten beeld waren geraakt van de DT&V.
25. Ook hier volgt de rechtbank het standpunt van de staatssecretaris niet. Als een vreemdeling na de beëindiging van de verblijfsprocedure uit beeld raakt bij de IND, wordt verondersteld dat hij in beeld komt bij de DT&V. Beide instanties vallen immers onder hetzelfde bestuursorgaan. Ook in deze zaak van het Servische gezin zijn de vreemdelingen vertrokken uit het COa voor de beëindiging van de verblijfsprocedure. Volgens de staatssecretaris hebben daarna echter nog gesprekken plaatsgevonden bij de DT&V en is daarbij verzuimd te vertellen dat het dossier gesloten zou worden, zodat de vreemdelingen in die zaak geen reden hadden te denken dat zij niet meer in beeld waren bij die instantie. De staatssecretaris heeft echter niet met stukken onderbouwd dat de hiervoor bedoelde gesprekken met de vreemdelingen inderdaad hebben plaatsgevonden. Het is aan de staatssecretaris om te onderbouwen dat het concrete beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Nu de staatssecretaris niet met stukken heeft onderbouwd dat de gestelde gesprekken met de vreemdelingen zijn gevoerd door bijvoorbeeld het overleggen van gespreksverslagen, is de rechtbank van oordeel dat vooralsnog niet valt in te zien waarom deze zaak niet vergelijkbaar is met de hier aan de orde zijnde zaak van eisers.
Zaak 5, het Chinese gezin
26. Deze zaak met V-nummers: [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer], is volgens eisers vergelijkbaar met hun zaak omdat de vreemdelingen in deze zaak na de verblijfsprocedure uit beeld zijn geraakt bij de IND. In het primaire besluit zegt de staatssecretaris dat de vreemdelingen nooit in beeld zijn geweest bij de DT&V en dit besluit is in rechte komen vast te staan. Als de staatssecretaris nu zegt dat er geen indicaties zijn dat de vreemdelingen door eigen toedoen uit beeld zijn geraakt bij de DT&V impliceert dat dat zij ooit wel in beeld zijn gekomen. Dat moet na de verblijfsprocedure zijn geweest. Het standpunt van de staatssecretaris nu strookt volgens eisers niet met het eerdere besluit van de staatssecretaris.
27. Volgens de staatssecretaris is deze zaak niet vergelijkbaar met de zaak van eisers omdat er in deze zaak geen aanwijzingen zijn dat de vreemdelingen door eigen toedoen uit beeld zijn geraakt bij de DT&V. Op 16 februari 2011 eindigde de verblijfsprocedure met een uitspraak in hoger beroep en er werd geen overdrachtsdossier aangemaakt voor de DT&V, terwijl de vreemdelingen zich niet al hangende de verblijfsprocedure hadden onttrokken aan het toezicht.
28. Hier volgt de rechtbank het standpunt van de staatssecretaris dat deze zaak niet vergelijkbaar is met de zaak van eisers. Uit niets blijkt namelijk dat de vreemdelingen hier uit beeld zijn geraakt door met onbekende bestemming uit de opvang te vertrekken. Zij hebben zich dus niet door eigen toedoen onttrokken aan het toezicht. Dat de staatssecretaris de aanvraag eerst heeft afgewezen omdat de vreemdelingen niet in beeld zouden zijn geweest bij de DT&V en nu zegt dat er geen indicaties zijn dat de vreemdelingen zich hebben onttrokken aan het toezicht van de DT&V, is juist in lijn met voornoemde uitspraak van de Afdeling. Als gevolg van die uitspraak wordt immers na het beëindigen van de verblijfsprocedure verondersteld dat de vreemdelingen in beeld komen bij de DT&V. De staatssecretaris heeft dat eerder niet gedaan, maar doet dat nu dus wel. Nu de vreemdelingen zich in deze zaak niet zelf onttrokken hebben aan het toezicht, worden zij verondersteld steeds in beeld te zijn geweest bij de DT&V.
Zaak 6, het Azerbeidzjaanse gezin
29. Ook deze zaak met V-nummers: [nummer], [nummer] en [nummer], is volgens eisers vergelijkbaar met hun zaak. Volgens eisers waren de vreemdelingen in deze zaak ook al geruime tijd uit beeld bij het COa voor de beëindiging van de verblijfsprocedure bij de IND. Dat de vreemdelingen een verblijfsadres hadden achtergelaten en dat dit adres door de IND is doorgegeven aan de DT&V, maakt volgens eisers niet dat deze zaak niet vergelijkbaar is met hun zaak. Het bekend zijn van het adres is immers alleen relevant bij de toetsing van contra-indicatie e en niet bij de toets van voorwaarde c.
30. Volgens de staatssecretaris is deze zaak niet vergelijkbaar met de zaak van eisers omdat de vreemdelingen in deze zaak zich niet actief hebben onttrokken aan het toezicht van de DT&V door met onbekende bestemming te vertrekken hangende een verblijfsprocedure.
31. De rechtbank volgt de staatssecretaris in dit standpunt. Omdat de vreemdelingen een adres hadden achtergelaten, kan niet gezegd worden dat zij met onbekende bestemming zijn vertrokken hangende een verblijfsprocedure. In die zin zijn zij niet uit beeld geraakt. Dat het voor het in beeld blijven nodig is om zich actief te melden bij het DT&V zoals eisers stellen, volgt de rechtbank niet. Na beëindiging van de verblijfsperiode wordt immers verondersteld dat het toezicht verschuift van de IND naar de DT&V, zonder dat van de vreemdeling een actieve inspanning wordt verwacht. Het verschil tussen deze zaak en de zaak van eisers is dus, dat de vreemdelingen in deze zaak, anders dan eisers, niet met onbekende bestemming waren vertrokken en dus op een bij de instanties bekend adres verbleven. Ook deze zaak is daarom niet vergelijkbaar met de zaak van eisers.
Conclusie en gevolgen
32. Gelet op wat is overwogen onder de punten 20 tot en met 25 is het beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris in die twee gevallen onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van gelijke gevallen. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en de staatssecretaris opdragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van eisers met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.
33. Eisers hebben ook recht op vergoeding van de door hen gemaakte proceskosten. Die vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het naar de zitting komen, 0,5 punt voor de schriftelijke reactie na de heropening van de zaak). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor 1. De waarde per punt is € 837,00. Toegekend wordt € 2.092,50.
Beslissing
De rechtbank:
inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 2.092,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, rechter, in aanwezigheid van drs. J.A. Meijer-Habraken, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2023.
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.